Inloggen

Boerenwapens

Moderators: Administrators Lezers: Gasten

 

Boerenwapens in de middeleeuwen
door Saskia Roselaar

Wat heb je nodig?

Lees voor de volledigheid nog een keer de verenigingsvoorschriften door en de corresponderende kopjes maar dit is in het kort wat je kunt gebruiken voor de dertiende eeuw:

• Milice:
de normale bijl, sikkel, billhook, deense bijl en staf.
• Chevaliers: deense bijl, sikkel, billhook, staf, strijdvlegel, strijdhamer, strijdvork, hellebaard, voulge, glaive, pollaxe, bardiche en spetum

Inhoud: BoerenlegersPaalwapensHandwapensBijlenVerenigingsvoorschriften


Boerenlegers in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd
In de Middeleeuwen waren oorlogen vaak vrij klein van schaal. Oorlog was het terrein van ridders te paard, een professionele strijdersklasse die zich specialiseerde in de strijd. Legers waarvan we de grootte weten, waren vaak verrassend klein: enkele honderden tot hoogstens duizenden mannen. Dit kwam doordat iedere heer (bijvoorbeeld een banneret, een ridder die meer dan tien andere ridders aanvoerde) de mannen onder zijn bevel moest uitrusten met wapens en bepantsering, en voor hen alle voorraden tijdens de oorlog moest betalen. In theorie moesten de ridders en soldaten dit zelf meenemen, maar in de praktijk werd verwacht dat de heer een grote bijdrage in de kosten leverde. Dit kostte veel geld, omdat iedere ridder weer soldaten en bedienden meebracht, die ook op kosten van de banneret moesten worden verzorgd. In theorie moest iedere vrije man voor zijn heer vechten, volgens het feodale systeem, maar de precieze eisen varieerden per regio en zelfs per heer. In de meeste gebieden, waar geen permanente oorlogssituatie heerste, werden mensen meestal alleen opgeroepen om hun eigen gebied en heer te verdedigen als die aangevallen werd. De centrale overheid kon heren niet dwingen voor hen te vechten; sommige heren waren zeer loyaal en vochten altijd als hun koning hen nodig had, waardoor ook hun volgelingen vaker opgeroepen werden. Andere heren bemoeiden zich weinig met de politiek en vochten dus minder vaak.

In de strijd vond meestal een treffen plaats tussen ridders te paard en voetsoldaten waarbij de ridders probeerden de infanterie te laten vluchten. De wapens van de infanterie moesten dus in staat zijn zulke aanvallen te weerstaan. Dit was meestal vrij makkelijk door opzij te stappen; soms werden hiervoor paalwapens gebruikt. In de veertiende en vijftiende eeuw veranderde dit; er kwamen steeds meer tekorten aan soldaten. Eerst probeerde men dit op te lossen door soldaten op dezelfde manier te rekruteren, maar ze nu te betalen in plaats van alleen bij te dragen aan de kosten. Om zich van de steun van hun heren te verzekeren, sloten koningen nu contracten met de heren om, tegen betaling, voor hen te vechten. Sommige van deze heren werden professionele leiders van huursoldaten, met een vaste groep aan mannen die permanent bij hen in dienst waren. Anderen waren nog steeds lokale heren die de bevolking mobiliseerden. Ook konden staten nu hun burgers verplichten voor een bepaalde periode in het leger te vechten. Dit was bijvoorbeeld het geval in Engeland en Italië, waar iedere man namens de staat kon worden opgeroepen. In de praktijk kon men deze plicht vaak afkopen en werden met dit geld professionele huurlingen betaald. De meeste gewone boeren vochten dus eigenlijk maar weinig in de Middeleeuwen, dus het is eigenlijk niet correct om de wapens die hieronder besproken worden ‘boerenwapens’ te noemen. In de veertiende eeuw vonden enkele boerenopstanden plaats, zoals de Jacquerie in Frankrijk (1356-8) en de Peasants’ Revolt in Engeland (1381); ook enkele steden kwamen in opstand, vooral in Vlaanderen.

Vanaf de vroege veertiende eeuw veranderde de oorlogsvoering: er vonden veel meer veldslagen plaats en het aantal doden per veldslag nam toe. Dit kwam vooral doordat er steeds meer infanterie werd ingezet, die ook steeds succesvoller was tegen de ridders te paard (bijvoorbeeld in de slag bij Crécy in 1346 en bij Agincourt in 1415). Ridders te paard konden makkelijk onschadelijk worden gemaakt door lichtbewapende boogschutters uit de boerenklasse.

In de Vroegmoderne tijd bleef het systeem van dienstplicht bestaan; de soldaten hoefden niet meer hun eigen wapens en voedsel te verzorgen, maar kregen dit van de staat. Omdat staten nu nog rijker en machtiger werden konden ze veel grotere legers betalen. Vanaf de zestiende eeuw groeide het aantal soldaten enorm; rond 1550 had de Franse koning zo’n 20.000 soldaten beschikbaar voor de oorlogen met Spanje, maar in 1700 waren dat er een half miljoen. Nu konden veel meer mensen deelnemen aan oorlogen in plaats van een kleine professionele groep van strijders. De manier van vechten veranderde ook: in de Middeleeuwen vocht men vaak te paard in man tot man-gevechten, waarbij zwaarden het meest nuttig waren. In de Vroegmoderne tijd werden soldaten met vuurwapens uitgerust en probeerden ze daarmee elkaars grote aantallen soldaten te vernietigen. Paalwapens verloren daarom hun belang als strijdwapens, maar ze werden nog lang als ceremoniële wapens gebruikt.

Veel van de wapens die in de Middeleeuwen gebruikt werden, zowel door strijders van hogere als lagere status, waren gebaseerd op gereedschappen die in het dagelijks leven gebruikt werden. In het stuk over gereedschappen zien we inderdaad een aantal verschillende werktuigen die door Middeleeuwse boeren gebruikt werden. Sommige van deze gereedschappen werden niet alleen gebruikt om te werken, maar ook als wapen. Veel boeren hadden immers geen geld om echte wapens aan te schaffen, en moesten het doen met de voorwerpen die voorhanden waren. Uiteindelijk ontwikkelden sommige boerenwerktuigen zich tot aparte soorten wapens, die weinig meer weg hadden van het oorspronkelijke gereedschap waaruit ze zich ontwikkeld hadden. In de dertiende eeuw is het aantal verschillende wapens nog vrij beperkt; pas in latere eeuwen zien we een enorme verscheidenheid aan wapens verschijnen, die oorspronkelijk wel op boerenwerktuigen zijn gebaseerd, maar daar eigenlijk weinig meer van weg hebben. Overigens vochten niet alleen boeren met eenvoudige wapens; ook ridders vochten met knotsen en andere simpele maar effectieve wapens.

In het verdere artikel zullen we zoveel mogelijk boerenwapens behandelen waarbij we de ontwikkeling van boerenwapen naar strijdwapen zullen toelichten. Frapant is dat de uiteindelijke conclusie is dat dat boeren niet zoveel gereedschappen gebruikten die direct te gebruiken waren als wapen op het slagveld. De strijdwapens zijn ver doorontwikkeld versies die eigenlijk niet veel meer met de originele gebruiksvoorwerpen te maken hadden.


Schets met paalwapens. Lijkt aardig accuraat maar de benoeming
van dit soort wapens kan verschillen vanwege naamsverwarring.

Paalwapens
BillhookVoulgeGlaiveFauchardBardicheSpetum

Vanaf de veertiende eeuw tot in de Vroegmoderne tijd bestond een grote verscheidenheid aan paalwapens, dat wil zeggen wapens die aan een stok - meestal manshoog - waren vastgemaakt. De staf van paalwapens was vaak gemaakt van essen-, hazelaar- of iepenhout. Deze wapens kunnen niet allemaal als ‘boerenwapens’ beschouwd worden, omdat vele geen directe parallel hadden als gebruiksvoorwerp in het dagelijks leven. Toch zijn er een aantal wapens die wel degelijk direct waren afgeleid van gebruiksvoorwerpen. Vervolgens werden deze wapens verder ontwikkeld tot specifieke strijdwapens, die niets meer van doen hadden met het oorspronkelijke voorwerp. In de dertiende eeuw stond de ontwikkeling van deze wapens nog in de kinderschoenen en was er nog niet zoveel variatie zichtbaar; deze begint pas echt na 1300.

Een overzicht van de verschillende soorten paalwapens zie je in dit plaatje. Hierbij moet worden gezegd dat er veel onzekerheid bestaat over de verschillende namen die aan specifieke wapens moeten worden verbonden; op plaatjes zie je vaak nog heel andere soorten wapens die niet precies op een van de getoonde typen lijken. Dit komt door dat de benoeming van dit soort wapens lastig is omdat er vroeger geen plaatje werd gemaakt met de naam er bij geschreven. Namen zijn later aan afbeeldingen gekoppeld en met de tijd ook verward. (De meest befaamde verwarring is die van de goedendag. Velen denken dat dat een stok met een ronde knots met pieken is maar dat is onjuist. Een goedendag is weliswaar een knots te noemen maar is feitelijk een soort van dikke kleine staf met een metalen punt erop.)



Verschillende paalwapens, uit: Waldman, J., Hafted weapons in medieval and Renaissance Europe: the evolution of European staff weapons between 1200 and 1650 (Leiden 2005)

Kortom, er bestond een grote hoeveelheid aan paalwapens, hoewel het vaak lastig is een precieze naam aan een afgebeeld wapen te geven vanwege de grote variatie die mogelijk was. Dit was al vanaf het begin van het gebruik van paalwapens het geval. De onderstaande afbeelding uit de twaalfde eeuw is een van de vroegste waarop paalwapens afgebeeld zijn. Ze lijken niet allemaal precies op de bovengenoemde types, maar we zien speren, een strijdvork, een mogelijke fauchard, een guisarme en een knots.


'School van Pisa', tweede helft 12e eeuw. Florence, Uffizi Gallery.


In de Codex Manesse zien we een vrouw
graan oogsten met een mes dat een kruising
lijkt tussen een sikkel en een billhook.

Bill(hook)
Een billhook of bill is een lang mes met een gebogen punt, dat op een korte stok bevestigd is. Deze messen werden gebruikt om dichte, stevige vegetatie (voornamelijk hout) mee te snijden. De gebogen punt maakt het makkelijk om dunnere takken van een dikke tak af te snijden en om ronde objecten, zoals boomstammen, makkelijker te kunnen bewerken.

In de dertiende eeuw zien we al plaatjes van wapens die erg op billhooks lijken, zoals hier in Les Coutumes de Toulouse: hier hebben de bills nog vrij korte stokken, vergeleken met de latere paalwapens.
Als wapen zien we dat het blad van de billhook grotendeels onveranderd blijft; wel wordt vaak een langere stok gebruikt. Het handboek van George Silver uit 1599 zegt dat een militaire bill 5 of 6 voet (1.50 tot 1.80 meter) lang moet zijn, terwijl een bill gebruikt voor de bosbouw 8 of 9 voet (2.40 tot 2.70 meter) lang was.

Het woord bill wordt voor allerlei soorten wapens met eenzelfde soort blad gebruikt, zoals de (bill-) guisarme. De guisarme had een gekromd blad, vastgemaakt aan de bovenkant van een lange stok; het enige verschil met de billhook was dat de guisarme een uitsteeksel aan de zijkant had. Dit maakte het makkelijker om vijandelijke (paal)wapens af te weren; het uitsteeksel had dus dezelfde functie als de crossguard van een zwaard. Dit wapen was zeer populair bij Middeleeuwse voetsoldaten, omdat het de functies van een snijdend blad en een stekende punt in één wapen combineerde, wat het erg effectief maakte. Veel wapens lijken erg op de bill, zoals de voulge, glaive en hellebaard.


Guisarmes in de Royal Armouries, Leeds

Les coutumes de Toulouse, laat-dertiende eeuw

 

 


Voulges, in R. Burton, The Book of the Sword, 1884

Vou(l)ge
De voulge lijkt op de glaive – beide zijn messen vastgemaakt op een stok – maar er zijn enkele duidelijke verschillen. Bij de voulge is de onderste twee-derde van het blad vastgemaakt aan de zijkant van de stok; bij de glaive zat het blad vast aan de top van de stok. Het blad van de voulge was kort en breed, en voornamelijk bedoeld om te hakken; dat van een glaive was langer en smaller en meer geschikt om te snijden. Een voulge lijkt soms op een vleesmes op een stok (zie voor smid met een vleesmes het artikel over gereedschappen). Dit wapen werd van de twaalfde tot de veertiende eeuw gebruikt, hoewel variaties erop ook later nog veel voorkomen.


Glaive

Bij de glaive staat het blad op de stok, in plaats van aan de zijkant van de stok zoals bij een voulge. In dit opzicht lijkt de glaive dus op de billhook. Het blad was meestal ongeveer 45 cm lang en de stok ongeveer 2 meter, maar er bestond veel variatie in de vorm en lengte van het blad. Glaives, net als voulges, konden allerlei uitsteeksels aan het blad hebben, deels functioneel en deels ter versiering. George Silver zegt dat de technieken die gebruikt worden bij het vechten met de glaive hetzelfde is als bij de staf, piek, hellebaard, billhook, voulge en partisan, allemaal paalwapens met een lemmet aan het uiteinde.
De glaive ontstond waarschijnlijk in de dertiende eeuw, maar werd pas later veel gebruikt; de bill was in eerdere periodes veel algemener. Een aantal verschillende glaives (uit de Vroegmoderne tijd) zie je hieronder.


Glaives in de Wendelin Boeheim, Handbuch der Waffenkunde. Das Waffenwesen in seiner
historischen Entwicklung vom Beginn des Mittelalters bis zum Ende des 18 Jahrhunders, Leipzig 1890


Op dit plaatje uit de Maciejowski Bijbel zien we een aantal wapens waarvan het is lastig ze een duidelijke naam te geven; ze lijken nog het meest op de glaive, maar dan met een kortere stok. Dit was makkelijker te bedienen voor ridders te paard dan een lange stok zoals een normale glaive had.

 


Fauchard
De fauchard was een gebogen mes aan een korte of lange stok, afgeleid van dat van de zeis; het blad was wat langer en smaller dan dat van een billhook. Vanaf de twaalfde eeuw bestonden er verschillende variaties op dit wapen. In onderstaande afbeelding zie je mogelijk een fauchard, al is het blad wat teveel gekromd; ook zijn er een guisarme, een morgenster en een strijdvork te zien.'


Grandes Chroniques de France, begin veertiende eeuw.



Duccio di Buoninsegna, 1308-11. Tempera op hout,
49 x 57 cm. Museo dell’Opera del Duomo, Siena

Bardiche
De bardiche was een lang, gekromd mes dat aan de zijkant van een lange stok was vastgemaakt. De bardiche was afgeleid van de Deense bijl, al vertoont hij daar weinig overeenkomsten mee; vanaf de twaalfde eeuw zijn dergelijke wapens aangetoond. De term ‘guisarme’ wordt ook wel eens gebruikt voor soortgelijke wapens, maar hierover lijkt geen overeenstemming te bestaan in de bronnen. De onderstaande afbeelding toont een van de vroegste bardiches en een vroege voulge.

Pas in de zestiende en zeventiende eeuwnam het gebruik van bardiches toe en werden ze een van de meest algemene wapens van (boeren)legers.

Spetum
De spetum werd vanaf de dertiende eeuw gebruikt. Hij bestond uit een lange stok met een gekromde ‘speer’kop aan het uiteinde met een blad van 30-40 cm lang. Met het blad kon je makkelijk een schild aan de kant trekken, een paard laten struikelen, of zelfs een voet afsnijden. Helaas heb ik geen afbeelding van een spetum uit de dertiende eeuw kunnen vinden, maar dit is een mooi zestiende-eeuws exemplaar. Dit wapen ontwikkelde zich tot de ranseur (ook wel brandistocco of Runka genoemd), die tot de zeventiende eeuw in gebruik was.


Italië, c. 1550; Higgins Armory Museum, Worcester, Massachusetts, VS.

Handwapens
Priemklieversikkelzeisdorsvlegelstafstrijdvorkslingerstrijdknotsstrijdhamer


Priem/piek
De priem (ahlspiess in het Duits en awl pike in het Engels) was een lange, vierhoekige metalen punt op een lange stok, zoals de zien in deze afbeelding. De punt was door middel van een schede aan de stok bevestigd. De grootste ontwikkeling van dit wapen vond plaats in Duitsland in de vijftiende eeuw, maar ook in de dertiende zijn er al voorbeelden van te vinden, zoals op dit plaatje uit de Maciejowski Bijbel.

Kliever (cleaver)
In het links afgebeelde plaatje zie je ook twee klievers (cleavers in het Engels). Deze wapens zijn typisch voor de Maciejowski Bijbel, en het is niet duidelijk of ze van een bepaald gebruiksvoorwerp afgeleid zijn. De uitsteeksels aan de voorkant hebben geen duidelijke functie.



In de Codex Manesse zien we weer de
verwantschap tussen de sikkel en de billhook:
beiden hebben een kort houten handvat met
een blad van ongeveer gelijke lengte. Het
verschil zit hem in de kromming van het blad.

Sikkel
Sikkels worden algemeen gebruikt om grasachtige gewassen, zoals graan, te oogsten. Al tijdens de Steentijd bestonden sikkels, maar het precieze uiterlijk heeft door de eeuwen heen nogal gevarieerd. De scherpe kant - aan de binnenzijde - kan glad of getand zijn; de getande versie is speciaal geschikt om graan te oogsten. Bij het oogsten kan de gebruiker het gewas in de ene hand vasthouden en met de andere de sikkel hanteren; de beweging is dan naar de gebruiker toe. Hier zie je deze beweging duidelijk:


Queen Mary’s Psalterium, c. 1320, British Library, MS Royal 2.VII.


Master of Sir John Fastolf,
Book of Hours, c. 1420


Zeis
De zeis wordt gebruikt om gewassen (zoals gras of riet) te maaien zonder dat de maaier hoeft te bukken. Hij heeft wee handvatten: een bovenaan, dwars op de stok, en een in het midden, die naar voren steekt. Het blad onderaan staat ook dwars op de stok. Het gebruik van een zeis vereist een complexe beweging: je houdt het bovenste handvat in de linkerhand vast, het onderste in de rechterhand, en houdt het blad dichtbij de grond. Dan draai je je lichaam van rechts naar links (tegen de klok in) terwijl je de zeis op dezelfde afstand van je lichaam houdt. Het gemaaide gewas valt dan links van je neer. Je moet het blad met een snijdende beweging, dus niet proberen te hakken! De zeis moet scherp zijn, anders werkt de techniek niet goed; tijdens het maaien moet het blad dus steeds opnieuw geslepen worden.
De zeis werd rond 500 v.C. uitgevonden, maar werd pas vanaf de twaalfde eeuw in Europa gebruikt. Als strijdwapen werd de zeis vaak aangepast zodat het blad niet meer dwars, maar recht op de stok stond. Zeisen waren populaire wapens tijdens de boerenopstanden van de Vroegmoderne periode.

Dorsvlegel
Een dorsvlegel (of flail) bestaat uit twee stokken die met een ketting aan elkaar vast zitten. De ene ketting hou je vast, de andere sla je op het geoogste graan, dat op een dorsvloer ligt (een schone, platte ondergrond). Daardoor worden de graankorrels gescheiden van het kaf, dat lichter is en daarom met de wind wegwaait. De precieze lengte en dikte van de stokken hangt af van het soort graan dat gedorst wordt. Al in de Egyptische tijd werden dorsvlegels gebruikt. Bij de ontwikkeling van de strijdvlegel werd een van de twee houten stokken steeds langer: men hield de lange stok vast, en sloeg met de kortere. De korte stok werd uiteindelijk steeds platter. De vlegel werd niet vaak gebruikt in de strijd, behalve door legers die uit boeren bestonden. Hoewel veel later dan onze periode, op de ets van Hans Lützelburger een boerenleger te zien is, dat deels bewapend is met strijdvlegels. Ook zien we strijdvorken en zeisen.


Kalender van de Abdij van Saint-Germain-
des-Prés, Parijs (Bibliothèque Nationale
de France, département des Manuscrits,
Latin 12834, fol. 64v.), c. 1270


Sint Gregorius de Grote, Moralia
in Job; abdij van Citeaux,Frankrijk,
folio 148r. 12e eeuw.


Ets door Hans Lützelburger, c. 1526

Staf (quarterstaff)
De staf was een van de boerenwapens bij uitstek, omdat het makkelijk was om een lange stok/dunne boomstam te vinden in het bos. Een beetje bijsnijden en je had een mooie staf! Het vechten met de staf is ook vrij makkelijk, omdat er niet zoveel complexe techniek bij komt kijken (wat natuurlijk niet wil zeggen dat het makkelijk is om te winnen in een gevecht met de staf). Helaas zijn er niet veel afbeeldingen van dertiende-eeuwse stafvechters, zodat het moeilijk te beoordelen is hoe vaak deze werden gebruikt. Wel zijn er veel aanwijzigen dat het geliefd was van onder andere pelgrims. Een wandelstok en wapen in een! In de Vroegmoderne tijd was de staf een populair wapen onder sportvechters. Er zijn verschillende handboeken over stafvechten uit de zestiende en zeventiende eeuw (o.a. van George Silver, 1598 en 1607, en Joseph Swetnam, 1617).

Strijdvork
Vorken werden voor verschillende doelen gebruikt. Natuurlijk om hooi en andere losse gewassen te verplaatsen, maar ook als verdediging tegen wilde dieren, bijvoorbeeld door herders. Vanaf de elfde eeuw is de strijdvork aangetoond. Opvallend is dat Middeleeuwse vorken meestal maar twee punten hebben, in plaats van moderne vorken die er meestal drie, vier of vijf hebben (afhankelijk van de functie: een hooivork heeft drie punten, een mestvork vier). Een vork kon eenvoudigweg een boomtak met twee punten zijn, maar men kon ook een meer gestroomlijnde vork maken van hout of met metalen punten. In onderstaande afbeeldingen zie je links een houten variant, klaar om het hooi op te prikken en rechts een metalen vork. Daarnaast zie je ook dorsvlegels en sikkels.



Boeren in de Maciejowski bijbel

Slinger
Met een slinger konden metalen of stenen objecten worden geworpen; met enige oefening was de slinger makkelijk en effectief te bedienen. Omdat het erg makkelijk en goedkoop was om een slinger te maken, werden deze tijdens de Middeleeuwen zeker gebruikt, hoewel niet vaak. Helaas zijn er geen afbeeldingen van, en omdat de slinger van vergankelijk materiaal gemaakt was (touw en leer), zijn er ook geen archeologische vondsten van gedaan.


Plafondschildering gevonden in
Grisons,  Frankrijk, twaalfde eeuw

Strijdknots
De knots was een ander boerenwapen bij uitstek: iedereen kon makkelijk en goedkoop aan een stuk hout komen, en er was niet veel training voor nodig om er effectief mee om te gaan. De strijdknotsen die we in de manuscripten zien zijn echter vaak veel geavanceerder dan een simpel stuk hout. Op de plafondschildering uit Grisons zien we een boer met een dikke stok met een simpele gepunte knots, maar op onderstaande afbeelding in de Maciejowski Bijbel is een knots te zien die speciaal voor de strijd ontwikkeld is, met een enorme hoeveelheid uitstekende punten. Pas in de veertiende eeuw werden knotsen geheel van ijzer gemaakt. De goedendag, die in de veertiende eeuw veel gebruikt werd door Vlaamse burgerlegers, was feitelijk ook een knots. Let wel, in tegenstelling tot wat veel mensen denken, heeft de goedendag geen bol met uitstekende punten maar een piek.


Strijdhamer
De hamer was natuurlijk ook een standaard gebruiksvoorwerp voor veel mensen. Vanaf de mid-dertiende eeuw werden hamers in de strijd gebruikt, maar ze werden vooral populair in de veertiende en vijftiende eeuw. Aan veel strijdhamers zaten twee uitsteeksels: de normale hamerkop, en aan de andere kant een scherpe, meestal iets naar beneden gebogen punt.


Deze, uit Malvern Priory Church in Engeland, toont een van de vroegste voorbeelden.

Bijlen
BijlDeense bijldubbele bijlPollaxeHellebaard



Plafondschildering gevonden in
Grisons, Frankrijk, twaalfde eeuw



Guldensporenslag, Grandes Chroniques
de France, begin veertiende eeuw

Bijl
We zagen eerder al dat de grens tussen ‘boerenwapens’ en wapens die speciaal ontworpen waren voor de strijd moeilijk te trekken is. Veel wapens die later speciaal voor de strijd ontwikkeld werden, waren van oorsprong wel op boerenwapens gebaseerd.
Andere wapens hadden zowel een ‘boeren’- als een strijdversie. Dit is zeker het geval met de bijl, waarvan een enorme hoeveelheid verschillende vormen bestaan. Sommige bijlenzien eruit alsof ze door de strijders rechtstreeks uit de schuur zijn gepakt. Andere strijdbijlen waren speciaal voor de strijd ontworpen en niet speciaal handig bij werk in het veld.


Bayeux tapijt

Deense Bijl
Een specifieke strijdbijl is de Deense Bijl (Dane axe) die al door de Vikingen veel gebruikt werd en vanaf de tiende eeuw ook buiten de Viking-gebieden gebruikt werd. Deze bijl onderscheidt zich van andere soorten bijlen door de duidelijk uitstekende punten aan boven- en onderkant van het blad. Op de afbeelding van het Bayeux Tapijt kan je duidelijk zien dat de Deense bijl een versterkte rand had van carbonstaal. De snede van het blad was 1-2 mm; het totale gewicht was tussen de 1 en 2 kilo. De steel was tussen de 90 en 120 cm lang, maar kortere en langere stelen zijn ook aangetoond.

Dubbele bijl
Er bestonden ook bijlen met een dubbele kop, maar deze zijn veel minder algemeen in dertiende eeuwse afbeeldingen .

Pollaxe
Vanaf de vroege veertiende eeuw ontwikkelde de bijl zich tot de pollaxe, die uiteindelijk weinig meer leek op een normale bijl.


Dertiende eeuwse
hellebaard
gevonden bij Basel.

Hellebaard
Ook de hellebaard, die vanaf de late dertiende eeuw in Zwitserland ontwikkeld werd, was van oorsprong een bijlkop aan een lange stok. Vroege hellebaarden hebben lange, small bladen, net als een glaive of guisarme; later werd het blad korter en breder en verschenen er meer uitsteeksels aan. In de vroege periode werd het blad met een punt of een ring aan de stok vastgemaakt, die dus naast het blad zat; later werd het blad door middel van een schede bovenop de stok bevestigd. Op onderstaande afbeelding zijn een aantal wapens zichtbaar (de Deense bijl, twee strijdvorken, een dubbele bijl en een priem) die op boerenwapens zijn gebaseerd, maar een veel meer gestroomlijnd uiterlijk hebben ontwikkeld.

Vie d’Edouard, Engeland, c. 1250. Royal Armouries, Tower of London.



Verenigingsvoorschriften

We kunnen concluderen dat boeren niet zoveel gereedschappen gebruikten die direct te gebruiken waren als wapen op het slagveld. Op basis van boerenwapens werden echter een enorme hoeveelheid wapens ontwikkeld, die eigenlijk niet veel meer met de originele gebruiksvoorwerpen te maken hadden. De grootste ontwikkeling van zulke wapens vond plaats na de dertiende eeuw, zodat voor Noorderwind de keuze aan wapens nog vrij beperkt is.

Milice - Als milicien zijn er dus maar weinig wapens die je kan gebruiken: de bijl, sikkel, billhook, en staf.


Chevaliers - Ridders kunnen alle bovenstaande wapens nemen, en ook de Deense bijl (een echte elite wapen), strijdvlegel, strijdhamer, strijdvork, en paalwapens zoals de hellebaard, voulge, glaive, pollaxe, bardiche en spetum.


Crew - Mocht het voor een show nodig zijn om je te wapenen dan kun je de gereedschappen gebruiken die bij de bewuste rol hoort: speel je een boer, dan kan je verschillende boerengereedschappen nemen.

Denk er hierbij wel om dat boerenwapens vaak niet veilig zijn in een gevecht; gebruik ze dus niet bij het vrijvechten of in een mêlee-situatie. Alleen in een goed geoefend showgevecht kunnen zulke wapens veilig gebruikt worden. Bovendien hangt toestemming om zulke wapens te gebruiken af van wat door het bestuur besloten wordt over de uitstraling van de vereniging. Vraag dus altijd eerst de SAG om advies voordat je iets aanschaft!



Bronnen:
- DeVries, K. & R.D. Smith, Medieval weapons: an illustrated history of their impact (Santa Barbara 2007)
- Edge, D. & J. M. Paddock, Arms and armour of the Medieval Knight (Londen 1988)
- Keen, M., Medieval warfare, a history (Oxford 1999)
- Lepage, J.-D.G.G., Medieval armies and weapons in Western Europe: an illustrated history (Jefferson, 2005)
- Nicolle, D., Medieval warfare source book (Londen 1996)
- Nicolle, D., Arms and armour of the crusading era, 1050-1350 (Londen 1999)
- Nicolle, D., A companion to medieval arms and armour (Woodbridge 2002)
- Oakeshott, E., European weapons and armour (1980)
- Waite, A., Medieval pole weapons 1287-1513: the untold story of the medieval billman and his polearm (Bristol 2001)
- Waldman, J., Hafted weapons in medieval and Renaissance Europe: the evolution of European staff weapons between 1200 and 1650 (Leiden 2005)
- Wikipedia: List of premodern combat weapons
- http://billhooks.co.uk/other-edge-tools/ Een hele site over billhooks. - Hay in art: A collection of great works of hay
- Electronic Journals of Martial Arts and Sciences; Journal of Western Martial Arts: A brief history off the Quarterstaff

Geschreven namens de S.A.G. in opdracht van de Orde der Noorderwind
Eerste versie januari 2013



Araceli namens S.A.G.
  Bas Laatst gewijzigd: Za, 4 maa, 13:38
 
Nieuw topic Antwoorden
 
Bataille 2017