Inloggen

De middeleeuwse stad en het boerenleven

Moderators: Administrators Lezers: Gasten

Nieuw topic Antwoorden
 


De middeleeuwse stad en het boerenleven
door Saskia Roselaar

Het standaardbeeld van middeleeuwse steden is niet positief. Ze waren vol, vies, gevaarlijk en ongezond. Het vuilnis werd op straat gestort, mensen hielden varkens in huis, als je niet uitkeek kreeg je een po over je uitgestort, en na al die ellende stierf je een pijnlijke dood aan de pest...

_________________________________________________________________________________

Het is waar dat de hygiëne in middeleeuwse steden vaak slecht was, want er waren geen riolen, zodat het afval in open grachten door de straten stroomde, waterputten waren vaak vervuild, en de mensen leefden dicht opeengepakt in kleine huizen. Rijkere families hadden natuurlijk vaak betere voorzieningen, met iets betere hygiëne. De kwaliteit van voedsel en kleding hing ook af van het inkomen, en voor de rijken en de middenklasse was deze zeker niet slecht, maar doordat veel mensen op een kleine oppervlakte leefden, leidden epidemieën vaak tot grote sterfte, en aangezien de meeste huizen van hout waren, konden branden zeer ernstige gevolgen hebben.

Ondanks deze ellende voelden veel plattelanders zich aangetrokken tot de stad. Het was echter niet zomaar toegestaan om je in de stad te vestigen. Alleen officiële burgers mochten op de lokale markt handelen zonder belasting te betalen. Ook mochten alleen zij gebruik maken van de armenzorg die door de stad geregeld werd.

Het valt op dat tot 1300 'steden' vaak erg klein waren. In dit jaar waren er in Engeland slechts 15 steden die meer dan 5000 inwoners hadden. Ongeveer tien procent van de totale bevolking leefde in steden, maar soms is het moeilijk een onderscheid te maken tussen stad en dorp. Veel mensen die in steden woonden, werkten op het platteland - tenminste in bepaalde seizoenen, bijvoorbeeld tijdens de oogst.

De dertiende eeuw was een periode van verandering in het stedelijke leven. Ten eerste ontstonden er in deze periode heel veel nieuwe steden (door de groei van al bestaande dorpen). Dit werd veroorzaakt door bevolkingsgroei, wat leidde tot meer economische differentiatie. Een groter deel van de bevolking werkte niet meer in de landbouw, maar vestigde zich in steden en werkte daar in ambachten of handel. Steden vervulden een belangrijke rol als handelscentra, waar boeren van het omringende platteland hun producten konden verkopen. In ruil kochten ze producten die ze niet zelf konden maken van stedelijke ambachtslieden. Andere goederen werden door rijkere handelslieden verder verspreid naar plaatsen waar de vraag groot was. Het belangrijkste product dat in de meeste steden verhandeld werden was graan, waarvan brood en bier werd gemaakt. Ook de textielindustrie speelde een grote rol in veel steden. Deze verwerkte vlas en linnen die op het platteland verbouwd werden.

De meeste ambachtslieden in de stad werkten op kleine schaal, in een werkplaats bij hun huis, en hadden hoogstens een paar leerlingen. Handel en ambacht waren niet voorbehouden aan mannen, want het was heel normaal dat vrouwen meewerkten in de werkplaats of winkel van hun man, en dat weduwen de zaak van hun man voortzetten. In de dertiende eeuw ontstonden in de meeste steden verschillende klassen: een elite van rijkere kooplieden, die ook het bestuur van de stad in handen hadden, daaronder een middenklasse van ambachtslieden en kleine winkeliers, en tenslotte de arme dagloners. Gilden van ambachtslieden ontstonden pas na 1350. Daarvoor werden regels over werktijden, lonen en dergelijke bepaald door het stadsbestuur.

De dertiende eeuw was de periode van grote bloei in de meeste Europese steden. Vanaf 1270 traden allerlei problemen op die te maken hadden met de voortdurende bevolkingsgroei, waardoor de welvaart per hoofd van de bevolking afnam. De Zwarte Dood, die vanaf 1348 ongeveer een derde van de bevolking het leven kostte, zorgde voor een verdere achteruitgang in economische welvaart.

De groei van steden in de dertiende eeuw leidde tot een snelle bureaucratisering van het bestuur. Er werd veel meer op schrift gesteld, en dus zijn er vanaf deze periode veel meer bronnen beschikbaar. Een belangrijke bron zijn stedelijke gerechtshoven. De meeste zaken in de gerechtelijke archieven gaan over simpele ruzies, soms gepaard met geweld, en ook oneerlijke handel zorgde voor problemen, bijvoorbeeld als iemand met munten betaalde waarvan het goudgehalte te laag was.

Natuurlijk trok de stad allerlei ongure types aan. Vaak worden prostitutie en 'spelen', oftewel dobbelen en andere spellen om geld, vermeld. In middeleeuws Utrecht was de Gortsteeg (de huidige Haverstraat) dé plaats voor mensen die aan hun trekken wilden komen. In herberg 'De Koehoorn' kon je beter niet komen. De kans was groot dat je slaags zou raken met andere drinkebroers, waarbij je zelfs gevaar liep om aan het mes geregen te worden - zoals we in de vorige Boreas gezien hebben, hadden de meeste mensen altijd wel een mes bij zich.

De Kerk was altijd nadrukkelijk aanwezig in de stad. Het stadsbeeld werd bepaald door de vele kerken, maar de Kerk speelde ook een grote rol in de armenzorg. Naast kerken waren er ook kloosters, hospitalen, scholen en universiteiten die door de Kerk gerund werden, zodat het geloof alom tegenwoordig was. Scholing was ook in handen van de kerk en de parochiekerken gaven lager onderwijs (aan jongens van wie de ouders het zich konden veroorloven - meisjes werden soms thuis onderwezen, maar meestal helemaal niet). Hoger onderwijs werd gegeven door universiteiten en kathedraalscholen, maar werd alleen gevolgd door mensen die een kerkelijke carrière ambieerden.

Verschillende rituelen, georganiseerd door het stadsbestuur of de kerkelijke autoriteiten, versterkten het eenheidsgevoel van de stad en het imago van het bestuur. Zo waren er op feestdagen vaak processies van geestelijken die de belangrijkste relieken van de kathedraal toonden. Meer 'volkse' feesten werden gevierd met oudjaar. In Engeland werd daarbij vaak "campball" gespeeld. Daarbij splitste de stadsbevolking zich in twee teams, die een bal in elkaars doel moesten plaatsen. De doelen stonden soms een paar kilometer uit elkaar, en ieder middel (inclusief geweld) was toegestaan bij het verslaan van de andere partij.

Ondanks alle gevaren van het leven in de stad, boden steden in de middeleeuwen veel kansen voor mensen die wilden profiteren van de toenemende economische groei en de mogelijkheden die dit bood voor rijkdom en sociale mobiliteit.



Uiteraard is het onmogelijk stad en platteland los van elkaar te zien. Soms is het zelfs moeilijk precies aan te geven wanneer een gemeenschap een stad was en wanneer een dorp. De meeste steden hadden niet meer dan enkele duizenden inwoners, en het grootste deel van de bevolking (zo'n 90 procent) leefde in gemeenschappen die we 'dorpen' zouden kunnen noemen. Echte dorpen hadden minstens een kerk en een molen. De inwoners van nog kleinere dorpjes en geïsoleerde boerderijen waren voor dit soort zaken afhankelijk van de grotere dorpen.

De sociale positie van dorpsinwoners verschilde binnen Europa. In Engeland waren de meeste dorpelingen horigen. Het land was eigendom van een heer, die het verpachtte aan de inwoners. In ruil daarvoor moesten zij een bedrag in geld betalen, en een aantal dagen per jaar op het land van de heer werken. Anderen waren vrije boeren, die alleen pacht betaalden. Het is zeker niet zo dat alle horigen arm waren. Sommigen waren rijk genoeg om grote stukken land te pachten. Ook vrije boeren konden arm of rijk zijn. In sommige andere Europese landen was een feodaal systeem niet zo ver ontwikkeld als in Engeland, en waren de meeste boeren vrij.

Arme boeren leefden in zeer eenvoudige huisjes. De muren waren meestal vakwerk, gemaakt van rijshout en leem, het dak van riet, en de vloer van aangestampte aarde. In het midden van het huis bevond zich een haard en de rook ontsnapte door een gat in het dak. Rijkere boeren hadden grotere boerderijen, maar de materialen waren hetzelfde als die van arme boeren. Meestal had alleen de heer een huis met stenen muren en een pannendak. De heer leefde vaak op een landgoed buiten het dorp. Als een heer meerdere dorpen bezat, reisde hij heen en weer tussen zijn verschillende bezittingen, en liet hij het dagelijks bestuur over aan een steward.

In een boerderij leefde meestal slechts één gezin. Over het algemeen erfde de oudste zoon de boerderij en als er meerdere zonen waren, moesten de jongere zelf proberen een boerderij aan te kopen, of moesten ze werken als pachters of loonarbeiders op het land van anderen.

De kerk speelde, net als in de stad, een grote rol in het leven van de boeren. Natuurlijk ging vrijwel iedereen wekelijks, of vaker, naar de kerk, en men werd in het dorpskerkhof begraven. De pastoor was soms een geletterde man, die juridische documenten kon schrijven voor de dorpelingen, maar hij kon ook een onopgeleide (voormalige) boer zijn.

Rondom de boerderij lag een groentetuin en boomgaard, en werden vaak enkele dieren gehouden, zoals varkens, kippen en bijen. Verder had iedere boer een eigen stukje, of meerdere stukjes, land, waar hij graan of bonen verbouwde. Daarnaast was er algemeen land, dat door alle inwoners kon worden gebruikt. Dit was meestal weideland, waar koeien, schapen en geiten in een grote kudde geweid werden. Er was ook bos, waar iedereen hout mocht hakken en wilde planten plukken, en hooiland, waar gras groeide dat werd gebruikt om hooi van te maken. Hiermee werden de dieren in de winter te gevoed. Ook was er meestal een dorpsmolen, waar iedereen zijn graan kon laten malen, en een waterput of rivier waar iedereen water uit mocht halen.

Het boerenwerk ging het hele jaar door, maar er waren tijden waarin het extra druk was. In het vroege voorjaar werd het land geploegd, en daarna nogmaals later in de lente, vlak voordat er gezaaid werd. Men zaaide verschillende soorten graan (tarwe, rogge en haver) en bonen. In de groentetuin bij het huis groeiden kool, sla, uien, prei, knoflook en spinazie. De graan- en bonenoogst vond meestal plaats aan het eind van de zomer of vroeg in de herfst. Na de oogst moest het graan drogen, en daarna worden gedorst, waarbij men met een vlegel op het graan sloeg om het kaf van het koren te scheiden. Daarna moest het worden gemalen en werd het opgeslagen voor gebruik. Veel graan werd verwerkt tot bier. Dit was nodig omdat schoon drinkwater niet altijd beschikbaar was. Fruit en groente moesten in de vroege herfst worden geplukt. De algemene weidelanden werden in de zomer gemaaid.

Landbouw vond meestal plaats volgens een rotatieschema, omdat land snel uitgeput raakt als het elk jaar bebouwd wordt. Daarom werd ieder jaar een deel van het land braak gelegd. Land kan alleen ieder jaar bebouwd worden als er genoeg mest is, maar dat was meestal niet zo, en daarom was braaklegging noodzakelijk. Mest werd alleen gebruikt om de groentetuin te bemesten.

Veel boeren deden bijna al het werk zelf, maar er waren ook taken die door specifieke personen werden gedaan. Zo was er meestal een molenaar, die het graan van alle dorpelingen maalde, en een brouwer, die bier brouwde voor het hele dorp. Niet al het gewas werd door de boeren zelf opgegeten. We hebben vorige keer gezien dat boeren ook naar de stad kwamen om hun producten te verhandelen. Een deel van de opbrengst moest als pacht aan de heer gegeven worden.

Het meeste landbouwwerk was zwaar, en werd daarom meestal door mannen gedaan, behalve als een vrouw geen man had die dit werk voor haar kon doen. De vrouwen waren meestal bezig met het verwerken van de gewassen, bijvoorbeeld door spinnen, weven en koken. Ook zorgden ze voor de groentetuin en de dieren die bij het huis gehouden werden. Tijdens oogsttijd was het echter zo druk dat iedereen in het veld werkte. Er werden dan soms arbeiders uit andere dorpen ingehuurd om te helpen, want als de gewassen niet op tijd geoogst werden, konden ze bederven.

Tussen 1000 en 1300 nam de productie in de landbouw toe, doordat er allerlei nieuwe technieken werden ontdekt. Ook werd een nieuw rotatiesysteem ingevoerd, waarbij een derde van het land braak lag, terwijl eerder vaak de helft ongebruikt was. Door deze economische groei nam de bevolking sterk toe, en dit leidde tot de ontginning van nieuw land vanaf de elfde eeuw. In de veertiende eeuw was de bevolking in veel Europese landen zo sterk gestegen dat economische problemen ontstonden, want er was niet genoeg land meer om iedereen te voeden, en de armoede nam toe. Maar dat valt buiten onze periode. De dertiende eeuw was de meest welvarende periode in de middeleeuwen!


Bronvermelding
- Backhouse, J., Medieval life in the Luttrell Psalter (Toronto 2000).
- Gies, J. & F. Gies, Life in a medieval city (Londen 1969)
- Gies, F.& J. Gies, Life in a Medieval Village (New York 2001).
- Holt, R. & G. Rosser, The medieval town, 1200-1540 (Londen en New York 1990)
- Nicholas, D., The growth of the medieval city from Late Antiquity to the early fourteenth century (Londen en New York 1997)
- Nicholas, D., The late medieval city 1300-1500 (Londen en New York 1997)
- http://www.redwulf.info/rural/index.html

Leuke boeken over het middeleeuwse stadsleven zijn de Cadfael-detectives van Ellis Peters over twaalfde-eeuws Shrewsbury en de Matthew Bartholomew-serie over Cambridge rond 1350 door Susanna Gregory.

_________________________________________________________________________________

  Willeke Laatst gewijzigd: Za, 4 maa, 14:41
 
Nieuw topic Antwoorden
 
Bataille 2017