Inloggen

Kampvolgsters in de middeleeuwen

Moderators: Administrators Lezers: Gasten

Nieuw topic Antwoorden
 


Hoeren, wasvrouwen en echtgenotes:
kampvolgsters in de middeleeuwen

door Saskia Roselaar

Middeleeuwse legers bestonden niet alleen uit soldaten. Minstens zo belangrijk - zowel in aantal als in functie - waren de kampvolgers, mensen die met het leger meetrokken en allerlei taken vervulden die niet door de legeraanvoerders geregeld werden. Vrouwen waren een belangrijke categorie kampvolgers: zij konden om allerlei redenen aanwezig zijn in een legerkamp. Hoewel ze vaak als 'kamphoertjes' worden beschouwd, hadden zij allerlei andere taken die minstens net zo belangrijk waren.

_________________________________________________________________________________

Helaas is weinig informatie beschikbaar over de dertiende eeuw specifiek. In de Parzival door Wolfram von Eschenbach, geschreven rond 1200, wordt al gemeld: ‘Ouch was der frouwen dâ genuoc. (...) Ez wârn niht küneginne: die selben trippâniersen hiezen soldiersen’ (er waren hier ook vele dames. Geen koninginnen waren zij; deze meiden werden soldatenmeisjes genoemd). Kampvolgsters worden meestal en passant genoemd, zoals in het verslag van Olivier van Paderborn over de Vijfde Kruistocht (1217-1221): ‘De Turken hadden volledig de overhand en leidden de Graaf van Poitiers weg als gevangene. Toen de slagers en andere kampvolgers, inclusief de vrouwen die voedsel verkochten, dit zagen, sloegen ze alarm in het hele kamp.’ De aanwezigheid van vrouwen in legerkampen was gedurende alle perioden, van de Oudheid tot vandaag, normaal. Daarom heb ik in dit stuk ook wat bronnen uit latere periodes gebruikt, die samen toch een goed beeld geven van de rol van kampvolgsters in de middeleeuwen.

Vrouwen hadden allerlei taken in een legerkamp. Vaak worden ze gezien als wasvrouwen, koks en prostituees, maar hun taken hadden meer om het lijf. Ze konden zelfs ingezet worden bij de strijd, bij in taken die niet direct in de frontlinie plaatsvonden, bijvoorbeeld bij het hanteren van katapulten en opbouwen van verdedigingswerken, en het tijdens de strijd bevoorraden van de soldaten met drinken. Tijdens de Derde Kruistocht (1189-1192) besloot een groep vrouwelijke kruisvaarders eigenhandig een aantal krijgsgevangenen te doden, zonder dat iemand ze daartoe opdracht gegeven had.

Soms maakte het leger op een meer officiële wijze gebruik van de kampvolgsters. In vijftiende-eeuws Frankrijk waren de filles publiques suivant l’oste een officieel deel van het leger, en konden zelfs bevolen worden door de prévôt des maréchaux. In Duitse legers in de vroegmoderne tijd was er een soldaat die bevel had over de bagagetros, die de Hurenweibel werd genoemd ‘for [which] post an old and experienced soldier is chosen and used, for in his power and under his command is the whole baggage train as well as whores and boys.’ Ook in achttiende-eeuwse legers was dit nog zo; in de onafhankelijkheidsstrijd van Amerika tegen Engeland konden de Engelse kampvolgsters bevolen worden door de legerleiders, bijvoorbeeld als verpleegsters te helpen. Als de vrouwen zich goed gedroegen en meehielpen, betaalde het leger hun ticket naar huis

Natuurlijk waren de meer traditioneel 'vrouwelijke' taken, zoals koken en wassen, het meest belangrijk. Daarin verschilde het leven van vrouwen in een legerkamp eigenlijk weinig van dat van andere vrouwen. In zijn Kriegszbuch uit 1598 beschrijft Leonhard Fronsperger het leven van de vrouwen in het legerkamp: Hoeren en bedienden moeten de latrines schoonhouden, hun meesters bedienen, en voortdurend bezig worden gehouden met koken, vegen en wassen. Een zeer belangrijke taak van vrouwen was ook het verplegen van gewonde en zieke soldaten. General Robert Venables schreef in 1656 dat vrouwen uitermate geschikt waren 'to attend upon and help the sick and wounded, which men are unfit for. (...) Had more women gone, I suppose that many had not perished as they did for want of care and attendance'. Vrouwen waren ook betrokken bij de bevoorrading van het leger; een leger nam niet alles mee van huis, maar plunderde of kocht onderweg voedsel. De bevolking in de gebieden waar ze doorheen trokken was vaak maar al te blij met de grote vraag naar voedsel, en verkocht allerlei producten aan de soldaten. Niet alleen mannen, maar ook vrouwen bezochten legerkampen om daar hun waren te slijten.

Natuurlijk hadden vrouwen ook een taak op het seksuele gebied. Zij waren echter lang niet altijd hoeren, want vrouwen konden op verschillende manieren in een kamp terecht komen. Soldaten konden bordelen gebruiken in steden waar ze doorheen trokken. Ook waren er lokale vrouwen die geen professionele hoeren waren, maar toevallig bekend waren geraakt met de soldaten, of die slechts eenmalig (eventueel tegen betaling) seks hadden.

Zeer vaak leefden vrouwen langdurig samen met een soldaat, en konden ze zelfs officieel getrouwd zijn. Zo had de Engelse soldaat William Roz in 1421 een lokale Franse vrouw, Cardine, in 'dienst' als privé-hoer. Als een vrouw getrouwd was, kon zij soms in een gevaarlijke situatie terecht komen als haar man stierf. Een ongetrouwde vrouw was immers los wild in een legerkamp. Vaak hertrouwden vrouwen dus zeer snel met een andere soldaat, soms al na twee dagen.

Een vrouw kon soms tegen haar zin kampvolgster worden, al is de grens tussen vrijwillig en onvrijwillig soms lastig te trekken. Thomas of Froidmont vertelt over de reis van zijn zuster Margaret of Beverley naar het Heilige Land. Bij de belegering van Jeruzalem door Saladin in 1187 vocht Margaret voor de verdediging van de stad - met een kookpot als helm - en raakte zelfs gewond. Na de inname van de stad werd ze aanvankelijk vrijgelaten tegen betaling van losgeld, maar kort daarna werd ze gevangen genomen door de Moslims en bracht ze vijftien maanden door in hun legerkamp als 'dwangarbeidster'. Uiteindelijk werd ze vrijgekocht door een christen uit Tyrus, die haar haar vrijheid teruggaf.

Gevangenschap was een reëel risico voor vrouwen: bij de inname van een stad was het gebruikelijk dat de mannen werden gedood en de vrouwen en kinderen gevangen genomen. Vaak werden ze verkracht en daarna werden ze gedood, als slaaf verkocht of als gevangene gehouden. Albert van Aken vertelt hoe in 1101 de Turken de stad Paphlagonia innamen: 'De wrede Turken vielen deze edele vrouwen en eervolle moeders aan, namen hen gevangen en bonden ze met kettingen. Ze stuurden er 1000 naar vreemde landen waar ze de taal niet spraken; ze plunderden hen als domme beesten en stuurden ze in eeuwige ballingschap naar het land Khorasan.' Het lot van vrouwen, die als onvrijwillige 'kampvolgsters' in het Turkse leger terecht kwamen, was zeker niet te benijden.

Een andere vrouw die min of meer onvrijwillig kampvolgster werd was de Franse Judetta de Montigny, die in 1425 trouwde met Engelsman, Henry Turnbull, hoewel ze nog getrouwd was met een Fransman. Ze claimde dat ze met Henry getrouwd was vanwege armoede - een probleem voor veel middeleeuwse vrouwen van wie de mannen als soldaat vochten - maar ook omdat Henry haar met geweld gedwongen had.


Veel bronnen, voornamelijk geschreven door mannen, stonden zeer negatief tegenover de aanwezigheid van vrouwen in legerkampen. Vaak werd er bij voorbaat van uitgegaan dat zulke vrouwen van lichte zeden waren, en daardoor een bedreiging voor de discipline van de soldaten. Er waren allerlei redenen om de aanwezigheid van vrouwen in legerkampen te verbieden: vaak waren de bevelhebbers bang voor ziektes. Ook vreesden ze voor verlies van discipline: men dacht dat seks zou leiden tot verzwakking van het lichaam en afleiding van de geest. Soms dacht men dat jaloezie zou leiden tot strijd tussen soldaten en daarom verbood Henry V in 1421 dat soldaten een vrouw voor zichzelf hielden: liever een gemeenschappelijke vrouw dan langdurige relaties. Ook vreesde men dat omgang met vrouwen uit de lokale bevolking zou leiden tot sympathie voor de vijand, want veel vrouwen die zich in het legerkamp bevonden waren niet uit het thuisland meegekomen, maar afkomstig uit de omgeving. Vrouwen die wel eervol waren, omdat ze waren meegereisd met hun echtgenoot, liepen het gevaar verkracht te worden door de vijand.

Vooral in de kruistochten waren vrouwen een punt van zorg voor de autoriteiten: soldaten die aan hun wereldlijke lusten toegaven en hun gelofte van kuisheid verbraken zouden geen verlossing kunnen vinden. Ook zouden illegale seksuele activiteiten ervoor zorgen dat God zijn steun van de kruisvaarders zou wegnemen en de kruistocht zou falen. Tijdens de kruistochten waren het echter vaker al getrouwde vrouwen die met hun man meegingen, en vond er dus in feite niets illegaals plaats. Dit komt door verschillende redenen: de kruistochten duurden langer dan andere oorlogen, zodat vrouwen eerder geneigd waren om met hun man mee te gaan. Mogelijk hadden vrouwen zelf ook religieuze redenen om mee te gaan.

De Kerk probeerde een einde te maken aan de aanwezigheid van vrouwen tijdens de kruistochten. Paus Innocentius III (1198-1216) verbood vrouwen om mee te gaan, zodat de oorlog efficiënter zou verlopen en het zielenheil van de soldaten geen gevaar zou lopen. Ook latere aanvoerders wilden een einde maken aan de overdaad aan kampvolgsters. Koning Henry V van Engeland vaardigde een aantal regels uit tijdens zijn campagnes in Frankrijk, die in 1415 begonnen. Hij legde vast wanneer contact tussen soldaten en kampvolgsters toegestaan was (op vrij veel momenten, maar niet tijdens de strijd) en dat er geen bordelen in veroverde steden mochten zijn. Ook verbood hij soldaten om een vrouw in een privé-relatie bij zich te houden: 'no maner man may have ne hold any comon woman within his loggyng upon peyne of losyng a monthes wages.' Als een man en vrouw toch betrapt werden, beval hij om 'take from her alle the money that may be founde uppon her and go to take a staff and dryve her owte of the oste and breke her arm.' Tegelijkertijd verbood hij ook verkrachtingen van vrouwen, terwijl dit in Engeland en Frankrijk normaal niet strafbaar was. Hij was er dus vooral op uit om de militaire discipline te waarborgen.

De Code Leicester, die in 1585 werd geschreven voor het Engelse leger in de Nederlanden, beschreef de 'sundry disorders and horrible abuses' die voortkwamen uit de aanwezigheid van 'many vagrant idle women in an armie,' en stuurde daarom alle vrouwen weg 'other than such as be knowen to be his lawful wife, or such other women to tende the sicke and to serve of launders.' Het lijkt erop alsof zulke verboden weinig resultaat hadden. In vrijwel alle periodes waarvoor gegevens beschikbaar zijn, is het aantal kampvolgers (vrouwen, kinderen en mannelijke bedienden) zeer hoog. In de late zestiende en vroege zeventiende eeuw varieerde het percentage van zulke mensen in het leger van 8 tot 53 %.

Volgens de Florentijnse kroniekschrijver Matteo Villani waren er in het leger van Fra Moriale, een huurlingenleider die actief was in Italië in 1353 en 1354, 10.000 soldaten en 20.000 kamp- volgers. In het Nederlandse boek Krijghskonst te Voet door Van Wallhausen, uit 1617, werd beschreven dat 'tussen 3000 Duitse soldaten bevinden zich ongetwijfeld 4000 hoeren, butlers en anderen die het leger bedienen'. De aanwezigheid van vrouwen en andere kampvolgers (waarover volgende keer meer) was dus normaal in alle tijden. Hoewel mannelijke schrijvers en legerleiders zich hierover soms zorgen maakten, waren kampvolgers in feite onmisbaar, aangezien ze allerlei taken vervulden die niet door de legerleiding zelf konden worden uitgevoerd.



Bronvermelding
- Brundage, J. A., ‘Prostitution, miscegenation and sexual purity in the First Crusade,’ in: P. W. Edbury (ed.), Crusade and settlement (Cardiff 1985) 57-65.
- Curry, A., ‘Sex and the soldier in Lancastrian Normandy, 1415-1450,’ In: Reading Medieval Studies 14 (1988) 17-45.
- Edgington, S. B. & S. Lambert (eds.), Gendering the crusades (Cardiff 2001).
- Hacker, B. C., ‘Women and military institutions in early modern Europe: A reconnaissance,’ Signs 6 (1981) 643–71.
- Maier, C. T. ‘The roles of women in the Crusade movement: A survey,’ Journal of Medieval History 30 (2004) 61-82.
- De Hemptinne, T. ‘Les épouses de croisés et pélérins flamandes aux XIe et XIIe siècles: l’exemple des comtesses de Flandre Clémence et Sybille,’ in: M. Balard (ed.), Autour de la première Croisade (Parijs 1996) 83–95.
- http://www.deremilitari.org/resources/articles/devries2.htm

_________________________________________________________________________________

  Willeke Laatst gewijzigd: Za, 4 maa, 14:45
 
Nieuw topic Antwoorden
 
Bataille 2017