Inloggen

Muziek in de Middeleeuwen

Moderators: Administrators Lezers: Gasten

Nieuw topic Antwoorden
 


Muziek in de Middeleeuwen
door Donald de Groot

De middeleeuwers waren in staat vernuftige vondsten te doen en geniale ideeën voort te brengen. Twee vondsten in de middeleeuwen die van zeer groot belang zijn voor de muziek toen en nu zijn de ontwikkeling van het notenschrift en de polyfonie (meerstemmigheid).

_________________________________________________________________________________

Muziek maken door te zingen of op instrumenten te spelen is van alle tijden. Dit betreft muziek voor de religieuze beleving en voor het vermaak. De ontwikkeling van het notenschrift en de polyfonie vond in de kloosters en kathedralen plaats. In de middeleeuwen was het Rooms-katholieke geloof leidend in wetenschap, kunst en cultuur. Zo ook in de muziek. De muziekontwikkeling vond vooral plaats in de kerkelijke muziek die gezongen werd tijdens de Romeinse liturgie in de kloosters, kerken en kathedralen.

De uitvoer van de gezangen in de kerk was lange tijd niet geregeld. Paus Gregorius ontwikkelde een standaardisatie voor de uitvoering van de gezangen voor de liturgie, die nu bekend zijn als de Gregoriaanse gezangen. De teksten van de gezangen werden gebundeld. Dit was een eerste belangrijke stap voor de verdere ontwikkelingen.

Er waren nu afspraken over wat men zong en wanneer dat moest worden gezongen. Hoe dit moest gebeuren werd niet exact vastgelegd. Boven de tekst werden wel symbolen aangebracht, de neumen (van het Griekse neuma, dat ‘teken’ betekent) die de zanger moesten helpen bij het zingen. Deze neumen waren een geheugensteuntje voor de stijgende of dalende melodielijn. Ze gaven niet aan hoe lang een noot was of op welke toonhoogte deze stond.

Lang werd gedacht dat exacte muzieknotatie onmogelijk was. Isodorus van Sevilla (circa 560 – 636) zei bijvoorbeeld dat klanken door de mens in het geheugen moeten worden vastgehouden. Anders gaan ze verloren, daar ze niet opgeschreven kunnen worden.

Guido d’Arezzo (circa 995 – 1050) ontwikkelde een fantastische nieuwe mogelijkheid. Hij ontwikkelde een notenschrift. Hij zette de tekens (neumen) op parallelle lijnen die bepaalde noten van betreffende toonsoorten vertegenwoordigden, zodat die tekens in feite voor noten stonden. De lijnen werden soms volgens een bepaalde code gekleurd: geel of groen voor C, rood voor F. Men kon er nog niet in zien hoe lang de noten moesten duren. De basis voor de moderne muzieknotatie was gelegd.

De ontwikkeling van het notenschrift zorgde ook voor nieuwe vaardigheden die moesten worden geleerd. Koorleden moesten muziekschrift leren lezen en zij moesten van bladmuziek leren zingen, zonder het stuk ooit gehoord te hebben. Guido vond ook de eerste solmisatie-methode uit (sol-fa-systeem) om zijn koorknapen te helpen de tonen en halve tonen waaruit de toonsoorten bestaan, van elkaar te onderscheiden.

Door de opkomst van het notenschrift werd de ontwikkeling van de polyfonie –vele melodieën (stemmen) tegelijk- mogelijk in richtingen die de westerse muziek uniek heeft gemaakt. De meerstemmigheid van de muziek maakte de terts het belangrijkste interval. Dat maakte het noodzakelijk een nieuwe toonladder te ontwikkelen.

Ook werd geleidelijk een systeem van muzieknotatie ontwikkeld, waarbij de noot als een punt werd genoteerd (Latijn: punctus). Bij polyfone muziek klinken meerdere noten tegelijkertijd, noot tegen noot (Latijn: punctus contra punctus). De ontwikkeling van het contrapunt luidde de geboorte in van de componist.In de polyfonie kunnen verschillende stijlen worden onderscheiden: Organum (elfde eeuw), Ars Antiqua (1100 – 1300), Ars Nova (circa 1300 – 1450), Trecento (Italiaanse muziek uit de veertiende eeuw) en Ars Subtilior (circa 1425 – 1450).

De twaalfde eeuw bevindt zich in de stijlperiode van de Ars Antiqua. De muziek ontwikkelt zich in deze periode tot een steeds vrijer wordende polyfonie. Deze is aanvankelijk nog sterk op het Gregoriaans georiënteerd. De gezangen in de Notre Dame in Parijs zijn in de twaalfde eeuw het toonbeeld van meerstemmigheid.

De ontwikkeling van de zang tot een ingewikkelde kunstvorm plaatste de christelijke muziek echter ver buiten het bereik van de gewone mensen van die dagen. Hun muzikale geloofsuitingen werden slechts buiten de kerk- en kathedraalmuren gehoord. Bijvoorbeeld de lauden spirituale waren immens populair bij het volk tijdens processies, begeleid door minder ontwikkelde muziek. Buiten de muren van de kerken en kathedralen klonk ook geheel andere muziek. Dit was de muziek van het volk. Niet voor de geloofsuiting, maar als een collectieve uitingsvorm van gemeenschappelijk herkende emoties.

Volksmuziek is er altijd geweest. Deze was echter nooit op papier gezet en was anoniem. Het volk kende de liedjes uit het hoofd en ze werden door mondelinge overlevering bewaard. Ze werden gezongen, er werd op gedanst en ze werden beluisterd.

Het notenschrift maakt het mogelijk dat vanaf de dertiende eeuw steeds meer wereldlijke muziek, niet-kerkelijke muziek wordt geschreven. De taal is dan niet alleen Latijn, de taal van de kerk en wetenschap, maar ook de volkstaal. Iedereen kan meezingen en verstaan waar het over gaat. De volkstaal krijgt vanaf die tijd steeds meer ruimte op papier.

Deze volksmuziek werd vooral uitgevoerd door minstrelen en troubadours in Frankrijk. Zingend, dansend en verhalen vertellend trokken ze van kasteel naar kasteel. Hun muziek was sneller en in de plaatselijke taal. Ze begeleidden hun muziek met snaar- of percussie-instrumenten. Het waren liederen met een simpele melodie en een eenvoudig ritme. Deze volksliederen zijn vaak strijdliederen, liefdesliederen, drinkliederen en ballades.

_________________________________________________________________________________

Vanaf de dertiende eeuw werd meer wereldlijke muziek gemaakt. Wereldlijke muziek is niet-kerkelijke muziek. Dit was de muziek, liederen, voor vermaak op kastelen, markten en pleinen en deze liederen hadden teksten in de landstaal en de wereldlijke aspecten van de middeleeuwen komen hierin het duidelijkst naar voren. Wanneer we aan muzikanten uit de middeleeuwen denken, staat ons vaak het beeld voor ogen van een zanger, een minstreel. Hij trok van kasteel naar kasteel en zong zijn liederen. Echter, in de middeleeuwen waren er drie groepen die zich met muziek en zang bezig hielden. Ten eerste waren daar de troubadours en de trouvères. Zij waren dichter-zangers en deze groep bestond voornamelijk uit mannen. De naam troubadours en trouvères betekent ‘vinders’. Zij geloofden dat hun kunst al bestond en niet door hen werd gecreëerd. De kunst werd door de troubadours en de trouvères ‘gevonden’. De tweede groep waren de jongleurs of minstrelen (ménestreels). Zoals de eerste benaming al doet vermoeden waren dit kunstenmakers. De jongleurs of minstrelen waren zowel mannen als vrouwen. De namen van deze dichter-zangers en kunstenmakers zijn verschillend en zo ook hun afkomst, herkomst, optreden en aanzien.

De jongleurs werden gezien als de verschoppelingen van de maatschappij en daarom stonden ze buiten de wet en de kerk. De burgers hadden een ambivalente houding ten opzichte van jongleurs en minstrelen, want enerzijds hadden de burgers een fascinatie voor wat zij deden en wat zij zongen en anderzijds hadden de burgers een afkeer voor deze groep mensen. De jongleurs verdienden hun geld met dans en muziek en trokken van kasteel naar kasteel, van stad naar stad en van dorp naar dorp. Daar brachten zij vaak heldenverhalen ten gehore, want deze waren zeer populair. De teksten en muziek waren echter niet altijd van hen zelf, maar vaak door anderen geschreven, namelijk door troubadours of door trouvères. Jongleurs hadden wel vaak een eigen variant van een stuk.

De troubadours kwamen uit Zuid-Frankrijk, vooral uit de Langue d’Oc. Zij schreven in de taal van de Langue d’Oc, het Occitaans. Het Occitaans is mede door de invloed van de Albigenzische kruistocht verdwenen. De trouvère kwamen uit de rest van Frankrijk. Zij schreven in de streektaal, het Langue d’Oïl. Dit is geëvolueerd in het moderne Frans. De troubadours werden in hun muziek sterk beïnvloed door Spaanse en oosterse muziek. De trouvères werden vooral door de Noord-Europese muziek beïnvloed. De troubadours en de trouvères en hun kunst waren zeer populair in doorgaans aristocratische kringen. Dat is niet zo vreemd, want zij waren vaak zelf van hoge afkomst. Onder hen waren zelfs koningen zoals koning Guillaume IX. Een jongleur kon zich echter wel in aanzien en positie opwerken tot troubadour of trouvère. In Duitsland had men de minnesänger, naar Frans voorbeeld van de troubadour.

De liederen hadden niet veel poëtische en muzikale diepgang, maar getuigden wel van vindingrijkheid en vertonen grote variatie. Hun muziek bestond evenals de kerkelijke muziek uit een enkele melodie, maar dan sneller en in de plaatselijke taal. Voor de begeleiding gebruikten zij snaarinstrumenten (harp, lier of vedel), percussie-instrumenten (trommels) en blaasinstrumenten (bazuin, blokfluit, dwarsfluit, doedelzak) en troubadours en trouvères hadden ook vaak een koor dat het refrein zong.

Veel liederen zijn niet opgeschreven en dus niet overgeleverd en bijvoorbeeld de Engelse traditie is hierdoor moeilijk te reconstrueren. Van de liederen die wel zijn opgeschreven, kennen we de eenvoudige ballades en ballades in een dramatische stijl. Er zijn liederen bekend over politiek of actuele discussies, vaak over een duister twistpunt op het vlak van de ridderlijke of hoofse liefde. Bekende vormen van liederen zijn het chanson de geste, de amour courtois (liederen over de hoofse liefde) en de pastourelle.

De chanson de geste is een heldenlied. Het is een verhalend episch gedicht over de daden van nationale helden en een bekend voorbeeld hiervan is het Roelandslied. De chanson de geste werd vooral door jongleurs gezongen. De pastourelle, echter, was het favoriete genre. Het is een dramatische ballade en had een vaste indeling: een ridder verleidt een herderinnetje dat na de nodige tegenstand toch toegeeft. Dit verhaal kon ook worden uitgebreid met de komst van bijvoorbeeld boeren die het herderinnetje te hulp schieten en de ridder uiteindelijk weten te verjagen. De beroemdste pastourelle zijn het "Jeu de Robins" en de "Marion" van Adam de la Halle. Hieronder staat een stukje uit deze dramatische ballade. Van Adam de la Halle zijn veel ballades bewaard gebleven.

"Robin houdt van me.
Robin heeft me gevraagd of hij me mag hebben.
Robin heeft mijn rok uitgedaan, mijn rode,
goed en mooi, mijn lijfje en mijn gordel.
Joechei!"



Troubadours en trouvères waren vaak van hoge afkomst en het is dan ook niet verbazend dat pastorales en andere ballades aristocratische bewerkingen waren van volksmateriaal. Het Provençaalse liefdeslied van de troubadours was van meet af aan een aristocratische vorm en ging over onverhulde sensualiteit, zoals onderstaande tekst laat zien.

"‘Onfeilbare meester’ noemt men mij,
nooit ging een liefdesnacht voorbij
waarin de vrouw niet tot mij zei:
Toe, slaap ook morgen weer met mij!
Dit is mijn trots:
ik win mijn brood met vrijerij,
hard als een rots."



De economische bloei, de groei van steden in de elfde en twaalfde eeuw en stabilisering van de feodale samenleving zorgden voor een verbetering in de toestand van de jongleurs en de jongleurs of minstrelen organiseerden zich in broederschappen en uiteindelijk in gilden. Ze verzorgden opleidingen in de muziek die te vergelijken zijn met het conservatorium van nu. Tegen het eind van de dertiende eeuw beoefende de ontwikkelde burgerij steeds meer de kunst van de Franse trouvères en de aristocratie steeds minder en in de eeuwen daarna werd dit steeds meer een bezigheid van de gegoede burgerij.

Een lied van Marcabru
Ik geniet
Zijn jachtgebied
Alwaar mijn koppel hondjes blaft;
De derde staat
Rechtop, kordaat
En wacht op wat de prooi hem schaft.

Wees dus beducht
Voor dit vernuft
Waarmee ‘k mijn leven slijten moet;
Een vogel vrij
ben ik, dunkt mij,
Terwijl een spreeuw mijn kuikens voedt!

Voorwaar, ik zeg u
Dat de echtgenoot de lul is,
Want door de entstok van een ander
Wordt zijn vrouw straks zwanger,
Dat zegt Marcabru.



Bronvermelding:
- Eco, Umberto. Kunst en schoonheid in de middeleeuwen. Amsterdam: Bert Bakker, 1989.
- Wilson-Dickson, Andrew. Geschiedenis van de christelijke muziek. Kampen: Kok Voorhoeve, 1996.
- Grout, Donald J. & Claude V. Palisca. Geschiedenis van de westerse muziek. Amsterdam: Poema en Pandora, 1994.
- Alders, Hanny. In het spoor van de troubadour. Schoorl, Conserve, 2002.
- www.klassiekemuziekweek.nl De middeleeuwen. Klassieke muziekweek. November 2007.
_________________________________________________________________________________

  Willeke Laatst gewijzigd: Za, 4 maa, 14:17
 
Nieuw topic Antwoorden
 
Bataille 2017