Inloggen

Muziekinstrumenten

Moderators: Administrators Lezers: Gasten

 

Muziekinstrumenten in de 13e eeuw
door Rúna Magnússon

Muzikanten in de Maciejowski Bijbel

Inhoud: SlaginstrumentenBlaasinstrumentenSnaarinstrumentenIllustratiesBronnen

De dertiende eeuw was voor Middeleeuwse muziekinstrumenten een heel interessante tijd vanwege het relatief grote contact met andere culturen.Nu er regelmatig door zoveel mensen kruistochten, pelgrimages, handelsexpedities en in sommige gevallen migraties werden ondernomen naar het Midden-Oosten (denk aan Jeruzalem maar ook aan de "bevriende" natie Byzantium) namen mensen steeds vaker voorwerpen mee terug naar Europa, waaronder muziekinstrumenten.Ook het contact tussen Spanje en Noord-Afrika leverde enkele uitheemse instrumenten op.

Deze buitenlandse instrumenten waren zeer gewild omdat men in het oosten qua technologische ontwikkelingen vaak voor liep op Europa. Ook werden er in sommige gevallen hele andere technieken gebruikt. Zodoende werden er veel technieken en instrumenten overgenomen en nagemaakt, of werden bestaande instrumenten aangepast.

Het bouwen van een instrument op zich en zeker het stemmen, waarvoor nog geen absolute maatstaf of referentie voor bestond, was erg lastig. Instrumenten konden niet echt exact worden gestemd en het zou dus best even wennen kunnen zijn geweest als we konden horen hoe een Middeleeuws ensemble geklonken moet hebben. Wil je meer weten over de Middeleeuwse toonladders lees dan vooral ook het artikel “Muziek in de middeleeuwen” van Donald de Groot voor meer over muzieknotatie, polyfonie en over de soorten muzikanten, dichters en troubadours in de 13e eeuw. 

De ingewikkeldere instrumenten zoals de draailier die doorgaans in handen waren van de adel of de minnesänger (Duitsland), trouvéres (Noord Frankrijk) en troubadours (Zuid Frankrijk) waren vanzelfsprekend niet verkrijgbaar voor het gewone volk, maar een fluitje van een uitgeholde tak zoals de "vlierfluit" of een simpele trommel was dan weer zo gemaakt.

De verschillende soorten instrumenten
De instrumenten die we in dit artikel bespreken zijn onderverdeeld in Slaginstrumenten, Blaasinstrumenten en Snaarinstrumenten. Voor de meeste instrumenten geldt dat ze gemaakt zijn van hout, (schapen)darmen en/of vel. Daarnaast zijn er natuurlijk ook nog enkele metalen instrumenten die veelal van brons zijn gemaakt (een koper-en-tin-legering).


 

Drum in de Maciejowski Bible

Slaginstrumenten

 

TrommelsCimbalen/BekkensBellenTamboerijn/TimbrelTabor/TamboerNakerTabulaeCastañettenAdufe/Pandeiro

Trommels

Het basismodel trommel, een houten frame met een huid eroverheen gespannen, is natuurlijk al véél ouder dan de dertiende eeuw. Toch zijn er vrijwel geen vondsten geweest van Middeleeuwse trommels, maar wel genoeg afbeeldingen te vinden. De meeste trommels in de dertiende eeuw waren gebaseerd op instrumenten uit het Midden-Oosten. Het gebruik van drumsticks is bijvoorbeeld in de 7de eeuw al overgenomen uit China. Trommels in de Middeleeuwen waren nog niet, zoals bijvoorbeeld pauken nu, gestemd op een bepaalde toonhoogte, maar vertoonden wel onderling verschil in hoog en laag. De dubbelzijdige trommel werd het meest gebruikt voor ritmische begeleiding tijdens de Middeleeuwen, en meestal met drumsticks. Ook kon op een trommel nog een of meerdere snaren van touw worden gespannen, voor een extra geluidseffect, of bellen zoals bij de tamboerijn.


Trommel in de Manesse Codex, met snaar

Replica van een dertiende-eeuwse trommel


 

Cimbalen/bekkens
Cimbalen werden in de Griekse en Romeinse tijd al veel gebruikt tijdens rituelen, en werden ook in de Middeleeuwen voornamelijk gebruikt bij processies en andere christelijke aangelegenheden. Pas in de latere Middeleeuwen werden ze ook voor begeleiding van dans gebruikt. Voor kleinere cimbalen begon men vanaf de tiende eeuw stokjes te gebruiken, maar het bleef gebruikelijk ze als paar tegen elkaar te slaan. Men geloofde dat het geluid van metaal kwade geesten en demonen verdrijven kon. De bekkens werden gemaakt van brons of van een verdere doorgewerkte legering met brons als hoofdbestanddeel.


Cimbalen in de Cantigas de Santa Maria

Bellen/klokken
In gebruik vergelijkbaar met cimbalen omdat ook deze werden gebruikt om kwade invloeden te verdrijven. Het rinkelen van bellen werd specifiek ingezet bij het verjagen van geesten van de overledenen en natuurlijk als kerkklokken. Denk ook aan de koddige belletjes die narren droegen.  Vanaf de negende eeuw zijn meerdere, verschillend gestemde bellen naast elkaar gehangen te zien in manuscripten, oftewel het klokkenspel. En al in de veertiende eeuw was men in Nederland en België zover dat door toepassing van technieken met tandwielen uit het Midden-Oosten het eerste carillon ontstond! Bellen werden doorgaans gemaakt van brons of zilver of waren verzilverd.


Bel in de Cantigas de Santa Maria

Bel in de Maciejowski Bible

 

Tamboerijn/timbrel
De tamboerijn of de timbrel is een klein lijstrommeltje met strakgespannen vel en kleine cimbaaltjes in de rand verwerkt. Net als veel andere slaginstrumenten was deze erg in trek onder de kruisvaarders, en werd door zowel mannen als vrouwen vaak bespeeld. Vaak werd de tamboerijn ook gebruikt als zang- en vertelbegeleiding. Over het vel van de tamboerijn werd soms ook een snaar (een touwtje) gespannen voor een beter geluid. De lijst van de timbrel kon van zowel hout als metaal zijn gemaakt.


Tamboerijn de de Lutrell Psalter (vroeg veertiende eeuw)

Tabor/tamboer (meestal in combinatie met de fluit)
De tabor of tab was een kleine dunne houten, doorgaans cilindrische, trommel met aan twee zijden vel en een of meerdere snaren (een touwtje) erop gespannen die om de nek kon worden gehangen en met een stok werd bespeeld. Door deze constructie kon de muzikant met één hand een fluit bespelen (doorgaans een fluit met 3 vingergaten). Deze combinatie genaamd “fluit en tamboer” is vanaf de twaalfde eeuw te zien op afbeeldingen was erg populair onder jongleurs.


Fluit en tamboerspelers in de Cantigas de Santa Maria

Fluit en tamboerspeler met aparte drumstok in de Maciejowski Bible

 

Naker
Ook de naker is sinds de dertiende eeuw bekend in Europa, dankzij de kruistochten. De naker is afgeleid van de Arabische nakir, een soort timpaan (kettledrum in het Engels; qua vorm vergelijkbaar met een pauk, een holle buik met een membraan erover gespannen), gemaakt van hout, metaal of aardewerk met een huid erover gespannen. Nakers werden meestal bespeeld in paren van verschillende toonhoogte met behulp van houten stokjes.


Moderne reconstructie van twee nakers

Tabulae
Dit waren in wezen gewoon stukjes hout of been die een mooi geluid maakten als ze werden aangeslagen met een stokje of tegen elkaar werden geslagen, vergelijkbaar met de moderne claves. Ze werden gebruikt als begeleiding van dansen maar ook tijdens de jacht om vogels op te laten vliegen. Ook moesten leprozen vaak tabulae bij zich dragen om met het getik mensen te waarschuwen voor hun komst.


Tabulae en schalmei in de Cantigas de Santa Maria

Castañetten
Vooral in Middeleeuws Spanje veel gebruikt, en onder andere terug te vinden in de geschriften van Alfonso X (Cantigas de Santa Maria). In wezen een soort holle tabulae, die al sinds de vroege Middeleeuwen van zowel hout als metaal (brons) werden gemaakt.


Castañetten en psalterium in de Chansonnier des Nobles (dertiende eeuw)

Adufe/Pandeiro

De adufe of pandeiro was een kleine vierkante framedrum met aan beide kanten van een (houten) frame een gespannen vel, die net als de tamboerijn vaak door vrouwen werd bespeeld. Binnenin konden dan zaadjes, kleine steentjes of belletjes worden gestopt voor extra geluid. De adufe is ook gevonden in Noord-Afrika en kent daar ook zijn oorsprong. De term pandeiro wordt tegenwoordig ook gebruikt voor Zuid-Amerikaanse ronde trommels, maar de adufe is nog steeds bekend in Portugal en is ook in de Middeleeuwen altijd typerend instrument voor het Iberische schiereiland geweest.. De adufe werd gebruikt bij religieuze processies maar ook als begeleiding voor bijvoorbeeld werk op het veld.


Adufe in de Maciejowski Bible

Adufe op de Portico de la Majestad (dertiende eeuw)


Bazuinen en een doedelzak in de Manesse Codex

 

Blaasinstrumenten


Fluit/BlokfluitDwarsfluitPanfluitZummaraSchalmeiHoornTrompet/Bazuin/AñafilBladderpipe/PlaterspielZink/CornettoLauneddasPortatief

De dertiende-eeuwse blaasinstrumenten bestaan uit houten, rieten, benen en koperen exemplaren. De instrumenten die we kunnen onderscheiden zijn de fluiten zoals de  (blok)fluit, de dwarsfluit, de panfluit, de schalmei (soms foutief aangeduid als klarinet),de zummara (een soort van dubbele klarinet).Daarnaast zijn er ook nog de hoorn, de launeddas, de trompet/bazuin/añafil en de zak-met-fluit-instrumenten zoals de doedelzak en de bladderpipe/platerspiel.

(Blok)fluit
Al sinds tienduizenden jaren werden simpele fluitjes gemaakt van botten, rietstengels en uitgeholde takken. In de Middeleeuwen, maar nu nog steeds, hadden de meeste simpele fluiten zes vingergaten, en de blokfluit zeven en een duimgat onderaan. Dit had twee voordelen: er konden meer tonen gespeeld konden worden buiten de diatonische toonladder (toonladders met afwisseling van hele en halve toonsafstanden; do re mi fa sol la ti do), en om een hoger octaaf te spelen hoefde de fluit niet meer overgeblazen te worden, wat de toon erg luid en schel zou maken. Een verschil met nu is dat de boring van de fluiten cilindrisch was, hij werd niet wijder of smaller aan het eind. Fluiten werden vaak in ensembles in harmonie bespeeld, maar ook bestaan er afbeeldingen van mensen die twee fluiten of een dubbele fluit (zie ook de schalmei) bespelen (of fluit in combinatie een bel of de  tamboer, een soort van kleine trommel die om de nek werd gehangen. Het fluitje dat daar meestal bij wordt gebruikt heeft maar 3 gaten) Een grappig feit is dat de best bewaarde Middeleeuwse blokfluit gevonden is in de buurt van Dordrecht en gemaakt moet zijn rond het jaar 1250.


Blokfluit op de Portico de la Majestad

De dertiende-eeuwse Dordrecht Blokfluit

 

Dwarsfluit
De dwarsfluit dook als eerste op in bronnen van de Etrusken en het oude Rome, maar verdween hierna uit Europa, waarna hij gedurende de tiende en elfde eeuw weer werd meegebracht uit Byzantium. Het instrument verschijnt wel in de Cantigas de Santa Maria en schijnt na herintroductie in Europa vooral te zijn bespeeld in Duitsland (in het Engels wordt er nog steeds verwezen naar de German flute), maar er wordt tot de veertiende eeuw zeer weinig naar gerefereerd. De fluiten werden voornamelijk van  hout gemaakt maar de vroegst gedateerde vondst is van been. (Interessant weetje: de metalen dwarsfluiten zijn pas een moderne uitvinding, hierdoor wordt de metalen dwarsfluit nog steeds ingedeeld in de houtblazerscategorie.) Waarschijnlijk bestond de 13e eeuwse variant uit een enkele cilinder. Er zijn verwijzingen dat het waarschijnlijk pas de fluitenbouwer Hottettere was die in de 17e eeuw het instrument opdeelde in meerdere onderdelen. Tevens wordt er van renaissance fluiten aangenomen dat ze 6 vingergaten hadden, gelijk aan de gemiddelde middeleeuwse fluit, dus voor nu nemen we aan dat dit ook voor de middeleeuwse dwarsfluit gebruikelijk is.


Dwarsfluit in de Manesse Codex

Dwarsfluiten in de Cantigas de Santa Maria

 

Panfluit
De ontdekking dat je door schuin van bovenaf in een gesloten cilindervormige pijp (zoals een rietstengel) kon blazen om een toon te produceren  is waarschijnlijk bijna net zo oud als de ontdekking van de trommel en kwam in verschillende culturen onafhankelijk van elkaar op. Verschillende grootten van buizen leidden weer tot verschillende tonen en al snel had je een leuke verzameling tonen waarmee je een liedje maken kon. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk de Griekse rieten panfluit die uit meerdere ronde tubes bestaat, maar de Middeleeuws Europese variant was waarschijnlijk meer een blokje met gaten erin geboord. Zo kenden de Vikingen een soort panfluit die wordt aangeduid als de Jorvik panfluit (naar de vindplaats York) . Deze is in wezen een dik en rechthoekig  plankje met een aantal naast elkaar gelegen gaten die niet tot de bodem gaan. Deze gaten zijn van verschillende dieptes zodat er verschillende tonen mee geproduceerd kunnen worden. Tevens zien we op twaalfde eeuwse beelden veelvuldig de Franse frestel langskomen. Deze variant toont nog steeds een soort van houten blokje met soms nog een schuine zijde aan de onderkant. Tevens zijn op sommige daarvan op horizontale hoogte ook nog enkele gaatjes op een rij gemaakt richting de dieper geboorde gaten, waarschijnlijk om meer uit het geluid te kunnen halen. Pas later zijn er weer verwijzingen te vinden naar panfluiten die meer lijken op de rieten variant zoals de 17e eeuwse Roemeense Nai. 


Doorsneden van de Jorvik Panfluit

Panfluitist op de kathedraal van Chartres (dertiende eeuw)

 

Zummara
De zummara is een soort dubbele klarinet, qua vorm meer een fluit, qua techniek meer een schalmei, maar dan met een enkele riet. Beide pijpen hadden vingergaten op dezelfde afstanden en op de zummara werd dan ook vaak de melodie dubbel gespeeld. Dit zorgde voor een schel en hard geluid, waardoor dit instrument erg handig was voor dansen en buitengebruik. De fluiten werden waarschijnlijk gemaakt van riet of  hout net zoals de vele aanverwante dubbele klarinetsoorten die van Egypte tot Irak voorkwamen.


Zummaras met halfrond handvat in de Cantigas de Santa Maria

Schalmei
Ook de schalmei dook op na de kruistochten, en werd veel gebruikt voor dansmuziek. De schalmei is in principe recht, maar aan het uiteinde sterk conisch geboord en heeft een dubbele riet, wat leidt tot een schel nasaal geluid. Ook zijn er varianten van de schalmei met een ronde “bol”aan het uiteinde waardoor het geluid waarschijnlijk wat werd gedempt. Het was ook mogelijk een schalmei te maken met een recht uiteinde (bijvoorbeeld van een stuk riet, de rietklarinet), of er hiervan zelfs drie aan elkaar te bevestigen waardoor er op verschillende melodie- en/of bourdonpijpen tegelijkertijd kon worden gespeeld. Deze varianten hadden echter meestal een enkele riet. De schalmei werd af en toe ook wel klarinet genoemd, hoewel de schalmei eigenlijk officieel wordt beschouwd als de voorloper van de hobo en niet de klarinet. 


Moderne replica van twee schalmeien

Schalmeien in de Cantigas de Santa Maria

 

Hoorn
Hoorns van dieren zijn waarschijnlijk in heel veel Europese culturen al ver vóór de Middeleeuwen ontdekt als instrument, maar over de precieze geschiedenis en gebruik is niet veel bekend. In sommige gevallen wordt de hoorn in zijn geheel uitgehold, wat hem een conische boring gaf,  en soms werden er ook vingergaten. In de tiende eeuw werd in Spanje waarschijnlijk de hoorn met zowel vingergaten als een ingebouwd dubbel riet geïntroduceerd door de Spaanse kalief van Córdoba, Al-Hakam II. Dit was een groot en zeldzaam instrument, maar nog wel terug te vinden in de Cantigas de Santa Maria, net als enkele andere soorten hoorns met vingergaten. Naast hoornen hoorns werden er ook hoorns vervaardigd uit ivoor (soms, zoals in het Roelandslied, wordt de ivoren hoorn aangeduid als “Olifant”), hout en brons. De houten en bronzen exemplaren bestonden soms uit meerdere stukken. De houten exemplaren konden uit twee helften bestaan die door ringen bijelkaar werden gehouden en de bronzen konden bestaan uit koppelstukken.


Een "Olifant" uit Adalfi, Italië, twaalfde eeuw

Hoorns in de Cantigas de Santa Maria

 


 

Trompet/bazuin/añafil
De bazuin of de añafil was de naam van de meest bekende ‘trompet’ in de Middeleeuwen, afgeleid van het Arabische al-nafir. Deze langwerpige, typisch Middeleeuwse instrumenten werden gemaakt uit brons en waren heel simpel van vorm. Er zaten geen vingergaten in en toetsen waren nog lang niet bekend in de dertiende eeuw. Hierdoor is de añafil of bazuin alleen in de grondtoon en zijn boventonen te bespelen.
De Arabische kalifs zetten het instrument al inbij militaire operaties of in hun persoonlijke ‘marching bands’, vaak samen met drums en schalmeien. In onze eeuw was vooral Saladin bekend om zijn enorme gevolg met bazuinblazers en drummers en ook de kruisvaarders keken op een gegeven moment de kunst af van de Saracenen om de bazuin op het slagveld in te zetten als communicatiemiddel. Ook in Middeleeuws Europa werd de bazuin, vaak met een vaandel eraan, ingezet door geoefende, en vaak adelijke spelers, bij ceremonies en prestigieuze ondernemingen.


Bazuinen in de Maqamat-al-Hariri (dertiende eeuw)

Bazuinen in de Cantigas de Sanra Maria

 

Doedelzak
De doedelzak werd door de Grieken en Romeinen al beschreven, en verscheen in Europa voor het eerst in bronnen uit de negende eeuw. De allervroegste exemplaren werden nog gemaakt van een gehele huid of blaas, en pas later werden afzonderlijke stukken aan elkaar genaaid. De doedelzak heeft altijd ouderestemmingen gebruikt die terug te dateren zijn tot de oude Grieken, waardoor dit instrument in de Renaissance al in onbruik raakte in hoofse muziek en orkesten en wordt geassocieerd met volksmuziek. Wel heeft de doedelzak later de functie gekregen van militair instrument met als hoofdgebruikers de Schotten rond de 16e/17e eeuw. Het uiterlijk komt voor in meerdere vormen, alleen in de Cantigas de Santa Maria zijn al drie verschillende vormen afgebeeld. Een er van toont meerdere, waarschijnlijk houten pijpen die er uit steken. Een ander toont een enkele pijp/hoorn en een derde heeft een heel mooi bewerkte uiteinde die mogelijk twee pijpen herbergt. Interessant is om te zien dat meerdere manuscripten de mooi vormgegeven pijpen tonen; de meesten hebben een beestenkop en twee er van tonen zelfs een koningshoofd. Doedelzakken verschilden ook in de vorm van de pijpen; sommige doedelzakken hadden cilindrische pijpen en produceerden daarom en zachter geluid. Conische pijpen klonken scheller. Doedelzak en schalmei was een populaire combinatie in de Middeleeuwen.


Doedelzak in de Manesse Codex

Doedelzakken in de Cantigas de Santa Maria

 

Bladderpipe/platerspiel
De bladderpipe is, zoals de naam doet vermoeden, een instrument voorzien van een blaas aan het begin van de luchtpijp. De lucht werd zo binnenin de blaas over een dubbele riet geblazen. Zowel rechte als kromme luchtpijpen waren in gebruik. Een extra luchtpijp zonder vingergaten fungeerde als bourdontoon. Bladderpipe met twee bespeelbare luchtpijpen kwamen ook voor (te zien in de Cantigas de Santa Maria).


Twee dubbele bladderpipes in de Cantigas de Santa Maria

Twee enorme bladderpipes in de Cantigas de Santa Maria

 

Zink/Cornetto
De zink of cornetto was een langwerpig blaasinstrument gemaakt uit één stuk hout. Het werd in de lengte gesplitst en uitgehold en daarna weer vastgemaakt, waarna de butienkant vaak een achthoekige vorm had. Het meestal uitneembare mondstuk werd gemaakt van hoorn. De term “cornet” betekende letterlijk “kleine hoorn”, en daarom is het aannemelijk dat dit instrument ontstaan is uit de hoorn. Het zou natuurlijk ook naar het mondstuk kunnen verwijzen. De achthoekige, rechte vorm is terug te dateren naar de dertiende eeuw, maar gebogen of zelfs S-vormige exemplaren (in het Engels ook wel lizard genaamd) zijn van later. Van de langwerpige, kleine blaasinstrumenten uit afbeeldingen uit de elfde tot dertiende eeuw is echter vaak niet te zeggen of het om een cornetto gaat of een ander soort instrument. De meeste van deze bronnen zijn afkomstig uit Duitsland, en Zink was de Duitse naam voor dit instrument.

Launeddas
De launeddas is een soort klarinet met drie pijpen. Het is niet terecht deze alleen te beschouwen als driedubbele versie van de rietklarinet aangezien al sinds de prehistorie afbeeldingen bestaan van dit instrument en het tegenwoordig nog steeds het nationale instrument van Sardinië is. Als voorloper van zowel de launeddas als de eerder besproken zummara wordt de dubbele klarinet gevonden op een reliëf in Egypte uit 2700 voor Christus aangehouden.  De langste pijp fungeerde als bourdontoon en de kortste als melodie. De middelste kon dienen voor ostinate tonen of tegenmelodieën. De pijpen werden gemaakt van riet.


Launeddas in de Cantigas de Santa Maria

Portatief
Het portatief is een draagbaar mini-orgeltje waarvan de fluitachtige pijpen van lucht worden voorzien door een luchtzak die wordt gevuld door een soort blaasbalg. Hoewel vaak gezien als typisch Renaissance-instrument werd het portatief al vóór de Middeleeuwen gebruikt. Ctesibius van Alexandria, een Griekse uitvinder, wordt vaak gezien als de geestelijk vader van het portatief. Hij vond een orgel uit dat hydraulisch werd aangedreven (luchtdruk werd opgebouwd door middel van water en pompjes), en door de Romeinen tijdens de spelen werd ingezet om een immens geluid mee te creëren. De afbeelding uit de Cantigas waarop koning Alfonso X zélf het portatief bespeelt is de eerste aanwijzing voor het ontstaan van een toetsenbord. Een toets op het toetsenbord correspondeerde met een pijp, en door de toets in te drukken werd het stopje dat normaal de luchttoevoer naar de pijp verhinderde opengezet produceerde deze een toon. De linkerhand werd gebruikt voor het bedienen van de blaasbalg. Dit exemplaar heeft een bereik van íets meer dan een octaaf en werd gebruikt als melodie-instrument. Naarmate de portatieven groter werden waren ze niet meer draagbaar, en op deze wijze is het huidige kerkorgel ontstaan.  


Portatief het Psalterium Beatae Elisabeth (dertiende eeuw) met grote blaasbalgen
kijk ook naar de lier en de andere instrumenten!

Portatief in de Cantigas de Santa Maria


Een scala aan psalteria en een vedel in de Cantigas de Santa Maria

Snaarinstrumenten


Luit: Moorse luit (Guitarra Morisca)Latijnse luit (Guitarra Latina, ook wel Gittern of Citarra)Cittern/CitoleMandoraPsalteriumDulcimerHarp/LyraDraailierRabab/Rebec/Vedel/VielleMondharp

De luit in de Middeleeuwen
De luit als instrument is vooral na de 15e eeuw pas echt als zodanig bekend geworden, en in de Middeleeuwen werd een er breed scala aan luit- en gitaarachtige instrumenten bespeeld, variërend van de grote Guitarra Morisca tot de kleine Mandora. Deze eerste is waarschijnlijk al voor de kruistochten door de Moren naar Europa gebracht. De latere Europese versies waren echter gebaseerd op modellen uit het Midden-Oosten, en ook tijdens de kruistochten werden er nog luiten uit het Midden-Oosten naar Europa gebracht. Het Midden-Oosten is echter waarschijnlijk niet de ontstaansplaats van de luit, deze valt waarschijnlijk nog verder terug te dateren tot in India of zelfs Centraal-Azie. In de Griekse en Romeinse tijd was de luit ook al bekend, maar deze variant verschilde, vooral in grootte, van de Guitarra Morisca. Van deze “ Guitarra Latina” wordt ook wel beweerd dat hij geïnspireerd was op de oude Scandinavische “ Lut” , een instrument uit de Vikingtijd in plaats van op modellen direct uit het Midden-Oosten.  (Maar ook de Vikingen namen instrumenten mee na hun reizen en handelsexpedities naar het Midden-Oosten!). Later, in de veertiende eeuw, zijn de twee varianten waarschijnlijk samengevoegd tot de “luit”. De Middeleeuwse luiten werden gebruikt als begeleiding voor bijvoorbeeld fluit, zang of de “Rebec” (zie verderop), maar zeker ook als melodie-instrument. De snaren werden gemaakt van schapendarmen, en als de luit fretten had werden ook deze gemaakt van darm, en direct om de hals gespannen. Ze moesten wel regelmatig worden vervangen.

Moorse luit (Guitarra Morisca)
Hoewel de luit pas in de vijftiende eeuw echt bekend werd, is dit instrument al vóór de kruistochten geïntroduceerd in Europa ten tijde van de bezetting door de Moren van het Iberische schiereiland. De Guitarra Morisca had een dubbele besnaring (elke snaar met een bepaalde toon zat er dubbel op, in het totaal waren het vaak 4 dubbele snaren) en was veel groter dan de meeste andere snaarinstrumenten destijds. Fretten werden nog niet altijd gebruikt, en sowieso minder dan op de moderne luit of gitaar. Werden er fretten gebruikt dan waren deze meestal vervaardigd uit darmen en moesten vaak vervangen worden. De hals maakte vlak voor het bovenste deel met de stempinnen een scherpe hoek. Deze grote luit had doorgaans minder snaren dan kleinere varianten, en hiervan werd er slechts een of misschien twee als melodiesnaar gebruikt en de anderen als bourdonsnaar. De hals was doorgaans langer dan de die van de Guitarra Latina.


Guitarra Moriscas in de Cantigas de Santa Maria

Latijnse luit (Guitarra Latina, ook wel gittern/citarra)
In de Griekse en Romeinse tijd was er ook al een soort luit bekend; waarschijnlijk was dit een inheems instrument, en kleiner dan de bovengenoemde “Moorse luit”. In de afbeeldingen uit de Cantigas de Santa Maria kun je ook zien hoe de grote luit vaak bespeeld wordt door moslims en de “Guitarra Latina”, de kleinere luit, door Europeanen. Later, in de veertiende eeuw, zijn de twee varianten waarschijnlijk samengevoegd tot de “luit”. De guitarra of gittern had net als de Moorse luit vaak vier enkele snaren, maar had een getailleerdere vorm en een platte achterkant, waardoor hij voor ons veel meer op een gitaar lijkt dan een luit. Er wordt ook wel eens beweerd dat de Scandinavische “lut” en het voorkomen van gitaarachtige instrumenten in de Noorse mythologie een inspiratiebron zijn geweest voor de Middeleeuwse Europese gitaar of luit.


Guitarra Latina in de Chansonnier des Nobles

Twee Guitarra Latinas in de Cantigas de Santa Maria

 

Cittern/citole
Een ander soort kleinere luit die wordt genoemd in bronnen, maar waarvan verre van duidelijk is wat het nou precies was. De citole werd tussen 1200 en 1400 bespeeld, en leek veel op de Guitarra Latina, maar had waarschijnlijk een hoekige in plaats van ronde vorm. Er is helaas weinig bekend over dit instrument en het precieze onderscheid tussen de citole en de guitarra latina.


Citole op de Portico de la Majestad

Replicas van citoles

 

Mandora
Een andere vorm van de kleinere luit had qua bouw veel weg van de rebab/rebec (een vioolachtige). Hij was smal en druppelvormig en wordt meestal "mandora" genoemd. De drie snaren zijn meestal 1-4-8 of 1-5-8 gestemd (dus een kwart + kwint = octaaf of kwint + kwart = octaaf). De kop had meestal geen scherpe hoek maar een boogvorm erin, en aan het uiteinde werden allerlei figuren (denk aan gezichten en dierenhoofden) uitgesneden.


Twee mandoras in de Cantigas de Santa Maria

Psalterium
Het psalterium is de Middeleeuws Europese versie van de "citer" of "zither", een instrument dat zijn oorspring kent in Mesapotamie, maar ook bekend was in China. Het psalterium is in wezen een heel simpel instrument; een doosvormige klankkast waar snaren overheen waren gespannen (in contact met de klankkast door twee lange snarenkammen aan weerszijden) met een bereik van enkele octaven. Omdat het psalterium relatief eenvoudig was bestond er een grote variatie aan vormen. Rechthoekig, trapezium, driehoek, rond, T-vormig (ook wel "hognose" genoemd), verzin het maar. Ook de vorm van en het aantal klankgaten verschilde sterk. Het psalterium werd al in het Oude Testament genoemd, hoewel onder de bredere naam citer. . 


Twee simpele psalteria in de Cantigas de Santa Maria

Psalterium in de Codex Manesse

 

Dulcimer
Het was ook mogelijk om het psalterium de bespelen met stokjes, wat voor een ander soort geluid zorgde. Tegenwoordig heet dit "hammered dulcimer", hoewel het in de Middeleeuwen als hetzelfde instrument als het psalterium werd beschouwd, alleen anders bespeeld. Het gebruik van stokjes was ook al voor de introductie van het psalterium in Europa bekend in het Nabije Oosten waar dit instrument vandaan kwam. Men noemde een met stokjes bespeeld psalterium daar een "Iraqi Santur". Santur was de oude Indiase naam voor het psalterium.


Psalterium met stokjes bespeeld in de Lutrell Psalter

Harp/lyra
De harp werd al in allerlei vormen bespeeld in Centraal Azië en het Midden Oosten, en veel van de harpen in de dertiende eeuw werden bespeeld en meegebracht door muzikanten uit het Midden Oosten. Harpen uit het Oosten hadden doorgaan een open constructie, dat wil zeggen, geen aaneengesloten driehoekig frame zoals wij dat kennen, maar een open voorkant. Er bestonden echter ook al Europese vormen van de harp. Met name in Schotland en Ierland zijn vanaf de achtste eeuw afbeeldingen terug te vinden van harpen die in tegenstelling tot varianten van buiten Europa een gesloten frame hebben (in plaats van één kant open of een komvormig frame). Ze zijn het beste te vergelijken met de Iers/Schotse Clarsach; een rechte klankkast, met de twee andere zijden gebogen. Versies hiervan, de Romaneske harpen, werden gebruikt in Frankrijk in de twaalfde en dertiende eeuw. In de Utrecht psalter, een manuscript uit de negende eeuw, is te zien dat sommige harpen nog een open, en andere een dichte klankkast hadden. In de 12e-eeuwse Hunterian Psalter en de Cantigas de Santa Maria is al mooi te zien hoe de vorm van de harp steeds meer op de huidige harp gaat lijken; de bovenkant krijgt een gebogen vorm en de klankkast begint al meer vorm te krijgen.


Detail van een harp in de Maciejowski Bible

Twee harpen in de Cantigas de Santa Maria

 

Draailier
De vroegste vormen van de draailier, symphonia of organistrum genaamd, waren grote, laag klinkende instrumenten voor twee personen. Een draaide het wiel aan dat de snaren in trilling bracht, en de ander bediende de toetsen waarvan de uiteinden één van de snaren op een vast punt tot stilstand bracht, waardoor er een melodie met een constante bourdontoon ontstond. Ook was het mogelijk een constante tegenmelodie met meestal een kwint ertussen op de andere snaar te laten klinken met dezelfde toetsen. Dit instrument verscheen voor het eerst als afbeelding in 1150, hoewel verwijzingen bestaan in geschriften vanaf de negende eeuw uit onder andere Perzië en Griekenland. In de dertiende eeuw was het organistrum al grotendeels vervangen door de eenmansdraailier. Nadat de constante bourdontoon en oriëntatie op de kwint en de kwart uit de Middeleeuwen plaats maakte voor de Renaissancepolyfonie raakte ook de draailier in onbruik buiten de volksmuziek.


Draailier op de Portico de la Majestad

Organistra (of draailieren) in de Cantigas de Santa Maria

 

Rabab/rebec/vedel/vielle
Het bekendste strijkinstrument van de Middeleeuwen is ongetwijfeld de rabab of rebec, ook wel vedel of later vielle genaamd. Hoewel het verleidelijk is om aan de te nemen dat de boog altijd een onlosmakelijk deel heeft uitgemaakt van de muziekinstrumenten zoals wij ze nu kennen, wordt over het algemeen aangenomen dat de strijkstok pas rond het jaar 1000 in zijn intrede deed in Europa. De oorsprong van de strijkstok ligt zeer waarschijnlijk bij de nomadische volkeren uit Centraal Azië. Paardenhaar was voor hen een gemakkelijk verkrijgbare en belangrijke grondstof, daarnaast bestaat er een muurschildering in Tajikistan uit de tiende eeuw waarop een gestreken snaarinstrument is afgebeeld. De snaarinstrumenten van de vroege Middeleeuwen leenden zich niet allemaal even goed voor gebruik met een strijkstok, het waren met name de kleine luiten waarbij dit aansloeg. Rond 900 na Chr. verschenen er in de Arabische landen reeds verhandelingen over een muziekinstrument waarvan de gespannen snaren werden bestreken met een kromme boog, de rabab. Geen van deze instrumenten is ooit teruggevonden, maar verschillende bronnen behandelen de speeltechnieken voor dit instrument. Het vioolachtige instrument werd op de schoot gezet met de snaren weg van de speler, en de linkerhand werd gebruikt om de snaren op de gewenste plek af te klemmen om de tonen te maken. Het is waarschijnlijk dat de Vikingen de eersten waren die dit instrument leerden kennen op hun reizen, en de Scandinavische talharpa en jouhikko ervan zijn afgeleid, als ook de Welshe crwth en de Shetland gue. Ook in Spanje en Byzantium ontsonden versies van de rabab, maar het duurde tot aan de kruistochten in de latere helft van de elfde eeuw tot het ook bekend werd in Frankrijk en Duitsland. Hierbij werden vaak wel drie tot zes (drie dubbele) snaren op de rabab, die toen rebec werd genoemd, gezet in plaats van de oorspronkelijke 2. In de elfde tot dertiende eeuw was de rebec, in een iets andere vorm en uitvoering ook wel vedel genoemd, echt een hoofs instrument. Er bestaan afbeelding van muzikanten die de rebec bespelen voor koning David, of koningen die zelf de rebec bespelen.


Twee vedels in de Cantigas de Santa Maria

Een rebab in de Cantigas de Santa Maria

 

Mondharp
De mondharp bestaat uit klein frame van metaal of hout, waarvan tussen twee kleine staafjes een dunner derde staafje los kan trillen. De twee buitenste staafjes worden tegen de tanden geplaatst zodat het derde staafje nadat het met de vinger uit de evenwichtsstand is gebracht gaat trillen, en zo de lucht in de mond van de muzikant in trilling brengt. Door het vervormen van de mond kunnen dan verschillende tonen worden gespeeld. De oudste verwijzing naar de mondharp is een afbeelding uit China gedateerd tot 400 vóór Christus. Over het gebruik van de mondharp in de dertiende eeuw in Europa bestaat nog veel onenigheid. Na 1500 is de mondharp zeker bekend geweest in Europa maar over eerdere vondsten bestaan nog twijfels wat betrouwbaarheid betreft. Voor 1200 zijn er al enkele opgravingen van vermoedelijk mondharpen gedaan van oude Angelsaksische of Carolingische afkomst. Uit de dertiende eeuw zijn archaeologische vondsten bekend uit Uppsala en Paderborn. Het is aannemelijk dat de mondharp zich pas na 1200 begon te verspreiden door Europa.


Replica van een mondharp naar een opgraving uit de late Middeleeuwen


Illustraties:
-
Kleurrijke muzikanten in de Codex Manesse, begin 14e eeuw.
- Blaasinstrumenten in de Codex Manesse, begin 14e eeuw.
- Festiviteiten in de Maciejowski Bijbel, 13e eeuw.
- Muzikanten en dansers in de Maciejowski Bijbel, 13e eeuw.




Bronnen:
- http://pan-flute.com/history/
- http://www.panflutejedi.com/frestel.html
- http://www.jewsharpguild.org/history.html
- http://crab.rutgers.edu/~pbutler/rebec.html#2
- http://www.companie-of-st-george.ch/cms/?q=en/about-the-jews-harp
- Hurdy-gurdy.org
- http://home.earthlink.net/~curtis_bouterse/id1.html
- http://www.jewsharpguild.org/history.html
- http://www.britannica.com/EBchecked/topic/303660/jews-harp
- http://www.silcom.com/~vikman/isles/scriptorium/harps/harps.html
- http://medievalbagpipes.blogspot.com/2008/02/tips-for-medieval-bagpiping.html
- Frestel - http://www.instrumentsmedievaux.org/pages/Frest35.htm
- http://www.antropodium.nl/launeddas.htm
- A Brief History of the Psaltery
- http://www.trombamarina.com/instruments/citole
- Tournebout - Pifia - Bladderpipe (Platerspiel)
- Rainer Weber - The Galpin Society Journal, Vol. 30, (May, 1977), pp. 64-69
- Mauricio Molina Frame drums in the medieval Iberian Peninsula, City University of New York
- The Medieval Recorder
- Horace Fitzpatrick - Early Music, Vol. 3, No. 4 (Oct., 1975), pp. 361-364
- http://en.wikipedia.org/wiki/Hammered_dulcimer
- http://en.wikipedia.org/wiki/Zither
- Mary Remnant -(1968) The Use of Frets on Rebecs and Mediaeval Fiddles. The Galpin Society Journal, Vol. 21 pp. 146-151

Geschreven namens de S.A.G. in opdracht van de Orde der Noorderwind
Eerste versie maart 2012
  Bas Laatst gewijzigd: Za, 4 maa, 14:24
 
Nieuw topic Antwoorden
 
Bataille 2017